Over medefietsers waaronder Ruud W., over de helletocht naar een camping en over de beloning: een wildspot

5 Mei, zwaar bewolkt maar niet koud (behalve een beetje na een klim en dan bezweet naar beneden..). 66km gefietst. Ik verblijf in een mooi ‘berg’ hostal, een paar km voorbij Cotoríos. Ik ben inmiddels in Andalucía aangekomen, na 651km. Een beetje op de helft dus. Ik weet nog niet of ik de afstanden uit het boekje moet volgen of van mijn ‘plot’ op Google Earth. Die schelen zo’n 100km. Laat ik maar uitgaan van de langste afstand (1400km volgens Benjaminse). Dan moet ik nog een klein stukje om op de helft uit te komen. De omgeving is hier ongekend mooi: ruige bergen, bedekt met eindeloze dennenbossen. Tussendoor klateren riviertjes, die uiteindelijk grote (bekende) rivieren zullen worden. Eén ervan is de Guadalquivir, die ik ben overgestoken, net als de Taag een beekje van niks. De bron (nacimiento of ‘geboorte’) moet hier ergens in de buurt liggen. In Sevilla zal ik straks zijn volwassen stadium zien!
Overal ook uitgestrekte olijfboomgaarden, tussen de bossen in. Het is een wonder dat die bossen er nog zijn, want met nog meer olijfbomen valt vast meer te verdienen..

Ik ben onderweg inmiddels een stuk of zes of zeven fietsende koppels tegen gekomen, maar allemaal in de tegenovergestelde richting. Eén op een fraaie tandem: vrouw voorop in lighouding, man erachter ‘gewoon’ fietsend. Ik kan me voorstellen dat ze ’s ochtends er om tossen wie mag liggen en wie moet zitten. 😀 De meesten Nederlanders, zo te zien aan de stuurtas met boekje bovenop, dus groet ik maar gewoon met ‘goede reis’ en meestal kreeg ik hetzelfde toegewenst!

Maar tot een paar dagen geleden ben ik nog geen fietsers tegengekomen die ook richting Sevilla fietsen, wat toch de gebruikelijke route is. Dat is niet verwonderlijk, oppert Ruud (die ik zo zal introduceren), omdat je eerder mensen tegenkomt die je passeren, dan degenen die dezelfde richting op gaan! Dat is een wijsheid waar ik nog niet op was gekomen en bovendien ook niets tegenin kan brengen, maar dat hoeft ook niet.

Het was in Barrax, waar ik in een chauffeurs hostal overnachtte, waar je doorgaans lekker (en veel) kan eten. Tijdens het eten kreeg de man achter de bar een telefoontje. Blijkbaar kwamen beller en gebelde er niet helemaal uit, want tot mijn verbazing vroeg de barman aan mij of ik kon helpen! Nadat ik de hoorn in mijn handen gedrukt kreeg bleek al snel dat ik een Nederlander aan de lijn had, die graag voor de volgende dag een kamer wilde reserveren. Terwijl ik in mijn eigen steenkolen Spaans de boodschap vertaalde voor de barman, was deze wat vaag: ja, zaterdagnacht slapen kan, maar zondag zijn we gesloten.. Hoe moet dat dan met ontbijt vroeg ik de barman, maar daarop kwam weer een vaag antwoord over de ‘jeffe’ die daarover zou moeten besluiten. Ik gaf aan de Nederlander door dat overnachten dus kon, maar dat hij de volgende dag waarschijnlijk zou worden opgesloten. Ik moest zijn naam nog vragen van de barman; ik had het genoegen Ruud W. aan de lijn te hebben. Dat was mijn eerste contact met een fietser die ook dezelfde kant op bleek te gaan. Want hij kwam net als ik uit het noorden.

In Alcaráz, waar ik mijn Middeleeuwse feestje vierde, kwam ’s middags op een terras een man zitten, die best een Nederlander zou kunnen zijn, maar op dat moment zat ik foto’s op te laden en bovendien stap je niet zomaar op iemand af: hé, ben jij een Nederlander? Wij waren beide bovendien niet in fietskleding. Maar als ik de volgende dag, na een prima rustdag uit Alcaráz, vroeg vertrek om de col van die dag te nemen (altijd het lekkerst in de ochtend!) en daarna aan de heerlijke afdaling begin, wordt ik plotseling ingehaald door een andere fietser, die niemand minder blijkt te zijn dan die man die ik in Alcaráz op dat terras zag zitten. En dan is 1+1=2, dus vraag ik: Ruud W. I presume? En inderdaad, hij is op mijn rustdag ook in Alcaráz aangekomen en sliep ook nog eens in hetzelfde hostal (dat met dat heerlijke balkon). Zijn fiets was overigens wél op het balkon geparkeerd, vandaar dat ik zijn aanwezigheid niet aan zijn fiets op de gang kon afleiden. En we zijn elkaar daar ook niet in persoon tegengekomen.

Na die ontmoeting op de fiets zijn we even samen opgereden, maar hij was aan een stop toe en ik had net na die col een heerlijke lunch gegeten bij een verlaten picknickplaats, dus na die korte ontmoeting gingen we ieder ons’ weegs, met als groet dat we elkaar nog wel tegen zouden komen.

En zo geschiedde. Maar eerst moet ik vertellen van mijn eerste kampeerplan. Na de rustdag was ik van plan nu eindelijk eens een camping op te zoeken en het plaatsje waar ik wil eindigen, Siles, heeft er twee. Het is ca. drie uur in de middag als ik voorbij Siles bij een afslag kom, waar borden naar de twee campings verwijzen. Eén bord ziet er versleten en verweerd uit: dat is de camping die nog 1km te gaan is. Het andere bord is nieuw, groot en met een foto van een aantrekkelijk zwembad! Voor deze camping moet ik alleen nog 6km doorfietsen. O ja, en bij beide staat vermeld dat ze het hele jaar open zijn. Nou, ik kan dus kiezen.

Het weggetje leidt verder de bossen in, weg van het dorpje. Dat wordt geen biertje meer op de ‘rambla’ van Siles, zeg ik tegen mezelf (die rambla is overigens een hele aardige platanenlaan). Bij de eerste camping stop ik om even polsboogte te nemen. Hij is open, ziet er niet heel aantrekkelijk uit en eigenlijk heb ik mijn beslissing al genomen. Ik ga voor die ‘nieuwe’, met het fraaie zwembad en het is toch maar 5km verderop. Nèt als ik denk dat het weggetje, dat steeds verder door het bos leidt, lekker vlak, is begint het plotseling te stijgen terwijl het wegdek steeds slechter wordt. Hele delen zijn weggespoeld geweest, maar inmiddels provisorisch gerepareerd. De gaten en scheuren zijn lastig te ontwijken, omhoog slingerend met een vaartje van net geen 5km/u. Er zitten ook van die ‘lekkere’ haarspeldbochten in, waarbij de binnenbocht nóg steiler is (dat ken je wel, hè Ben?). Vlak na zo’n bocht wordt ik bijna omver gereden door twee kolossale trucks die volgeladen met gevelde dennenbomen naar beneden denderen. Die hadden mij daar kennelijk niet verwacht en ik hen ook niet.. Even een angstig moment, want door mijn slingeren is het feit dat ik niet ónder de truck terecht kom, maar net in de berm een kans van 50-50. Ik verwens de heren en begrijp ook waarom het wegdek in zo’n abominabele staat verkeert. Van de schrik bekomen vervolg ik mijn sisyfustocht, me afvragend waarom er niet af en toe een bordje staat met hoe ver het nog is. God, wat is het zwaar! Maar alles is beter dan lopen, want dat is met een fiets met bepakking niet te doen. Eindelijk volgt een splitsing met een bordje naar links: casa de los tiempo libre. Is dat een eufemisme voor een bejaardenhuis? Ze kunnen dat in Spanje ook zo mooi voor ouderen zeggen met ‘tercera edad’, ofwel de derde leeftijd! Als dat zo is dan weten ze de oudjes wel ver weg te stoppen, heerlijk rustig in het bos (dat kennelijk wel weggekapt wordt). Maar het andere bord naar rechts wijst naar de camping, nog 500m. Aaah, wat lekker, een einde aan deze helleweg! Dat zijn wel 500 meters over een ongeplaveid bospad met overal houtsnippers van de kapwerkzaamheden, maar goed.

En daar zie ik de poort, met een hoog hek en een tamelijk versleten vlag erboven. Tot mijn schrik is het hek dicht en ik zie een dikke ketting ter zekere afsluiting. Het is niet waar! Er stond toch echt ‘abierto todo el año’? Die zes kilometers zijn de zwaarste die ik tot nu toe heb moeten afleggen en dan dit..! Ik probeer het telefoonnummer te bellen dat ik aan het begin van de afslag heb genoteerd (arghh, waarom toen niet direct even gebeld!), maar ik ben inmiddels al zover van de bewoonde wereld in het bos beland dat ik geen bereik heb (dat zullen die oudjes van ernaast waarschijnlijk ook niet nodig hebben).
Ik vloek in alle talen die me te binnen schieten (sorry J.) en kom tot de conclusie dat er niets anders op zit dan het helleweggetje in omgekeerde richting af te dalen. Dat is overigens geen sinecure. Het hele traject met samengeknepen remmen en ik voel het rubber van de remblokjes onder me vandaan smelten. Mijn voorremmen maken nogal herrie, maar dat kan mij nu even helemaal niets schelen. Al piepend en bijna krijsend daal ik het traject weer af richting het dal. Ik ben er helemaal klaar mee. Ik passeer de eerste camping nog, die ik zo ongefundeerd heb afgewezen, maar geen haar op mijn hoofd denkt eraan om hier nog mijn tent op te zetten; ook niet voor de eerste keer. Ik fiets in blinde frustratie terug naar het dorpje, naar het hostal dat ik ook in het boekje heb gezien: hotel Cruz (38.389599,-2.5849), en geniet daar intens van de kamer, de vriendelijke (maar onverstaanbare) eigenaar, het biertje dat ik tóch op de rambla onder de platenen drink, met daarna een vleesschotel bestaande uit bloedworst, gewone worst, knoflookworst en nog iets onbestemds… Het kan me niet deren, ik eet alles wat me wordt voorgeschoteld (‘me als worst wordt voorgehouden’, hahaha).

De volgende morgen (vandaag) vertrek ik, na een heerlijke nachtrust in hotel Cruz, vroeg voor een traject verder de bergen van de Sierra de Cazorla in. Na een uurtje fietsen stop ik voor een kop koffie in een dorpje onderweg. Ik sta nog aan de bar te bestellen en wie komt daar aanfietsen.. Ruud! We drinken samen aan de bar. Waar hij geslapen heeft? Op die ene camping, ja die eerste! Prima te doen en zeer goed geslapen! Ik kan het bijna niet aanhoren, temeer daar hij bij die eerste geïnformeerd had of die tweede ook geopend was. Daarom was hij niet doorgefietst. Tsja, wijze les: niet afgaan op een bord dat zegt dat ze het fijn vinden dat je langskomt. Een dikke ketting bewijst het tegendeel.

We fietsen nog een tijdje samen op, maar ook nu is ons ritme iets anders. Hij zal eerder stoppen en ik ga nog even door. We komen elkaar vast nog wel tegen. Ik slaap vanavond dus in een berg hostal, tijdens het eten TV kijkend naar Real Madrid dat de halve finale jammerlijk verliest van Juventus, maar wordt tot slot beloond met een uitzonderlijk schouwspel: de hoteleigenaar wenkt me naar buiten, waar een troep van wel vijftien wilde zwijnen in de grond staat te wroeten, moeder en tantes met kinderen, volgens de man. Een ‘macho’ is er volgens hem niet bij. En iets verderop in het bos staan zowaar een paar herten wier ogen als lichtjes weerkaatsen in het schijnsel van de zaklamp van de hoteleigenaar. Wat een prachtig gezicht! Ik kan er geen genoeg van krijgen. Knorrend en morrend verdwijnt de troep zwijnen na een tijdje in het donker tussen de bomen.
Tsjonge, dat ik dit allemaal mag meemaken!

(foto’s volgen, alleen de zwijnen; de herten waren te ver weg in het donker)

Over Biking Banker

Biker & Hiker and in between a Banker
Dit bericht werd geplaatst in Reisverslagen. Bookmark de permalink .

2 reacties op Over medefietsers waaronder Ruud W., over de helletocht naar een camping en over de beloning: een wildspot

  1. HW zegt:

    Wat aardig dat je eindelijk de Spaanse familie tak ontmoet hebt!!!! Gezellig om je avonturen te lezen HW

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s