Een dagje flink doortrappen op…  de Via Verde!

Verbaasde ik me er in het vorige bericht nog over dat de Via Verde vanaf Trespaderne zich nog in erbarmelijke staat bevond.. Enkele kilometers verderop, na mijn overnachting in Oña (prima hostal: La Muralla, met ernaast gelegen restaurant La Cazador), ligt een fraaie loper van fijne gravel, die tot aan de einder rijkt. Nog niet ontgonnen met gezellige terrasjes in opgeknapte, voormalige smalspoorstationnetjes, maar dat komt nog wel (post-corona, want er rijdt of loopt geen kip).

Nu staan bij die oude gebouwtjes waarschuwingsbordjes: instortingsgevaar! Niet dat dat echt noodzakelijk is, want dat is overduidelijk als je even bij zo’n oude ruïne blijft staan: boompjes groeien door het ingestorte dak en alles binnenin ligt in puin; grafiti rondom. Zonde eigenlijk, ook dit is belangrijk cultureel erfgoed, uit de tijd dat Spanje nog groot was in de mijnbouw en ijzererts- (en andere mineralen-) winning. Ongelofelijk, om de ca. honderd, tweehonderd meter staat er wel een stenen constructie; hier en daar oude putten waar kolen in werden opgeslagen en restanten van watertanks. De stoom moet in tijden van weleer flink de lucht in zijn geblazen. Ik verbeeld me dat ik een verre stoomfluit hoor..

Dat moet mijn vermoeidheid zijn, want het ganse traject heb ik wind tegen. Nu is dat in combinatie met de stralende zon natuurlijk vele malen beter dan de wind in de rug… in de stromende regen, maar het feit dat ik (alweer) vele kilometers lang stijg (weliswaar max. 2%) en verwoed tegen de koele bries in trap, doet me af en toe verzuchten: hoe ver nog. Een bekend, passend lied van Boudewijn de Groot klinkt in mijn hoofd, afgewisseld met Sympathy for the devil van de Stones, vooral het gedeelte na ca. 5 min. speeltijd.. whoewhoeeee). 😉

Omdat er dus geen gezellige uitspanningen zijn, noch aanlokkelijke terrasjes met ijsreclameparasols, zet ik zelf maar koffie op een ‘Area de descansa’, bestaande uit een paar picknick banken, een glijbaantje en een afvalbak, omzoomd door twee juveniele boompjes. Onkruid weelt tierig rondom alle constructies. Mijn brander (van de Fjällräven Classic; HK,B&N!) snort erop los, beschut door twee tassen, en binnen ‘no time’ zit ik aan een oplosmokka, met een ‘chocolatechip cookie’ (nou vooruit twee dan). Ook mijn lunch is weer zelf gemaakt, op een zelfde soort plek, 30 kilometer verderop. Niet heel gezellig, maar ook dit soort dagen zitten in een solo reis gepland. Je neemt het zoals het komt!

Wie me wel (kort) vergezellen zijn de vele vogels, die verschrikt opvliegen als mijn banden krakend over de steentjes mijn aankomst verraden. Mooi gekleurde, saai gevederde; ik herken ze niet allemaal, helaas. Ik spot de veldleeuwerik, patrijzen, gorsen (welke?), bijeneters (mooi! Prrrrup prrrup in de lucht), maar vooral hoor ik een aantal dat zich niet laat zien: nachtegalen (heel veel!), een paar wielewalen, spechten.. Afijn, ik zal jullie verder niet vermoeien met een te grote opsomming. Ik raad beginnende vogelaars van harte de leuke podcast: ‘de vogelspotcast’ aan (tip van zoon J). Leuk!

De via verde loopt bijna tot Burgos. Het laatste stukje traject loopt langs een saai industrieterrein (met onmiskenbaar een varkensslachterij; oei, wat een stank!) en een buitenwijk. Het verkeer is heel rustig en de zon schijnt nog steeds. Onderweg heb ik al een reservering gemaakt in Hostal RiMboMbin (spannend die letterweergave.. een ramp om vaak te moeten typen 🤓), met een heerlijk verwarmd terras en een kamer met koelkastje (met een lichtje.. D!). Ik blijf hier twee nachten; de boog hoeft niet altijd gespannen te staan… (wat El Cid zal beamen!).

Morgen de stad verkennen en op zoek naar mijn inspirator…

Geplaatst in Reisverslagen | 4 reacties

Fluitje van een Eurocent

Zo stijf als een plank. Zo voel ik me na de eerste fietsdag van gisteren, maar wát was het een mooie etappe. Bij vertrek uit Bilbao, langs de rivier de Nervión, later de Ría de Bilbao,die in het estuarium uitmondt, over keurige fietspaden waar half Bilbao liep te joggen en te wandelen en gezellig te praten (allen met mondmasker!), fietste ik langs de erfenis uit het verleden: vervallen scheepsdokken, fabrieksgebouwen en andere herinneringen uit de tijd dat de stad groot is geworden door de metaalindustrie. Troosteloos, maar wel belangrijk cultureel erfgoed.

Het eerste stuk ging soepel langs een riviertje, maar de vele cascades en een enkele stuw verraadden onmiskenbaar enige stijging in het landschap. Het begon bewolkt, maar na een uurtje kwam de zon er toch regelmatig door. Korte fietsbroek en trui voldeden. Het ging lekker. Kop koffie onderweg, later, op een gezellig pleintje in Artziniega met veel lokalen, mijn eigen lunch. Vaste prik: stokbrood, kaas, tomaat en melk… zo verraad de Hollander zichzelf 😉.

Maar toen! Een kilometer of wat later splitste de weg zich in een deel vlak rechtdoorgaand en een deel stijgend omhoog. Helaas dacht ik even, Locus map, mijn routeplanner, wees me richting het laatste. Maar vooruit, eens moeten de benen aan het werk. Nou, dát hebben ze geweten… Niet dat het stijgingspercentage zo bijzonder groot was; mijn stijgingskompas aan het stuur gaf zo’n 4% aan. Maar dat zonder onderbreking over een afstand van 13km.. Achter iedere bocht… kwam een volgende bocht.. en nog een.. en nog zo’n 100 stuks, waarbij ik me elke keer afvroeg: zou het nu even vlak worden, of misschien zelfs even dalen?

Gelukkig was de weg uitermate rustig; de zondag na de feestdag 1 mei. Waarmee ik niet wil suggereren dat de meeste mensen hun roes lagen uit te slapen, want als een Spanjaard zijn schoonmoeder moet bezoeken, dan doet ie dat, zonder morren (je zou eens verstek laten gaan, dán zwaait er wat..). En zoals ik wel vaker heb ondervonden: de auto’s díe me passeerden gingen vrijwel allemaal de andere kant op. Misschien dat het tegenovergestelde me doorgaans niet opvalt, maar in dit geval voldeed het weer aan eerdere ervaringen. Houden zo!

Langs de route steile kliffen en prachtige, puntvormige rotsen, die elk ogenblik naar beneden dreigden te vallen. Maar nu even niet! Toen de weg eindelijk aan de top was aangekomen, resteerde alleen een tunnel door het laatste stukje berg, om aan de andere kant te komen. Mijn Locus wees me naar een pad rónd de berg, maar borden met ‘doodlopende weg’ en betonnen blokken dwars op het vergane wegdek, leken me niet uitnodigend om deze D-tour te maken. Dus de tunnel in. Hoofdlamp op, lichten aan, maar de schamele lampen in de tunnel waren voldoende voor míjn zicht. Nu maar hopen dat voormelde ervaring nog steeds op bleef opgaan, en zowaar: zonder ander verkeer verliet ik na een kleine kilometer de tunnel en kon ik aan de afdaling beginnen. Heerlijk, even de spieren welverdiende rust geven. Een kleine 10km verder wachtte een lekkere douche op me, in Quincoces de Yuso, in een hotelletje naast een mooie Romaanse brug.

En vandaag werd ik wakker, probeerde op te staan, maar kwam met moeite mijn bed uit. Oei, maar natuurlijk ook foei, dat ik op mijn leeftijd denk zonder probleem ongetraind aan een tocht te kunnen beginnen… Dat laat zich onverwijld gelden! Maar geen onvertogen woord: hup, op de fiets en vanzelf wordt het lijf wel weer soepel. Het is koud hier in de bergen. Handschoenen met vingers aan onder die zónder vingers. Trui en windjack zijn beslist nodig; die benen houden zich bewegend wel warm. Ook m’n tenen voelen na een tijdje tamelijk koud. Ik heb niet van die gelikte overschoentjes, waar de Spanjaarden mee fietsen. Ik kom veel renners tegen, met mondkapje, en even zovelen halen mij fluitend in. Als fietsers onder elkaar wordt er gegroet en gezwaaid. Weer haalt een Guardia Civil mij in; ik let op of ik remlichten zie oplichten, maar er wordt niet naar mij omgekeken. Uit voorzorg heb ik ook een mondmasker op, weliswaar onder m’n neus, want anders beslaat mijn zonnebril en natuurlijk heb ik mijn (verplichte) fietshelm op. Ik laat niets aan het toeval over. Even bedenk ik dat ik een vlaggetje van Atletico zou moeten kopen, want dan kan er geen twijfel over bestaan dat ik een lokaal ben; er wordt hier nl. uitbundig gevlagd voor deze voetbalclub met verticale rood-witte strepen.

In NL heb ik een markering in Locus gemaakt, waar een ‘via verde’ zou beginnen. In een bar vraag ik aan de eigenaar (met tonronde buik) of deze klaar is, want op google earth zag ik nog bielzen liggen (en dat rijdt minder soepel..). “Si señor, claro. Esta listo”. Als ik aankom op de plek waar volgens mijn kaart het voormalige spoorlijntje te bereiken is, zie ik dat inderdaad de rails is verwijderd, maar het tracé bestaat uit vuistdikke grijze stenen, waar je zelfs wandelend niet heel comfortabel overheen gaat. Ik vrees dat de barman de plek nog nooit heeft bezocht, wat niet verwonderlijk is, gezien zijn postuur.

Toch maar de gewone weg. Maar een paar kilometer verderop is er nog een toegang en zowaar, hier bestaat het wegdek uit harde gravel! Zou hij toch een fervente fietser zijn? Ik fiets een paar honderd meter over het pad en passeer een eerste tunneltje, zonder verlichting (altijd spannend, met opvliegend gespuis..), maar als ik uit de tunnel kom, zie ik dit:

Ongelofelijk, dan heb je als provincie een dikke ‘cash’genererende toeritische attractie in je achtertuin en dan benut je die niet, zelfs niet met goedkoop Europees geld..?! Ik snap er niets van; Spanje is een kei in het aanleggen van infrastructuur, dus ook het platplaveien van wat voormalige spoorbruggetjes moet een fluitje van een eurocent zijn. Nou, misschien zit het in de pen.

Teruggekeerd naar de gewone weg (N232) fiets ik langs een steile rotswand, waarboven een grote groep gieren zweeft; mijn eerste op deze tocht, een majestueus gezicht, vooral als ze ook lager langs de wand vliegen. Na slechts 47km kom ik aan in Oña, waar ik voldaan aan een menu media del día schuif (om 15:30, het kan nog nèt). Vanavond alleen een salade! Oña is een mooi middeleeuws dorpje, met een enorm Benedictijner, later katholiek klooster, het monasterio San Salvador, gesticht in de 11e eeuw, volgens de bekende zoekpagina. Recent heeft het nog als psychiatrisch hospitaal gediend. Helaas is het gesloten voor bezichtiging.

Morgen op naar Burgos! Een kruispunt van Santiago-routes, maar die ga ik niet volgen. Ik ga verder naar het zuiden, in de geest van El Cid ook al heeft hij nogal wat bloed aan zijn zwaard. Mijn zakmes zal ik niet voor veel meer nodig hebben, dan om een appeltje te schillen. Maar mijn ‘paard’ heeft er in ieder geval zin in.

Geplaatst in Reisverslagen | 5 reacties

Bilbao = ‘Vau’

“Bilbao is vau”. Hoe ik daar op kom, daar kom ik zo op. Laat ik bij het begin beginnen.

De reis naar Bilbao verliep soepel: M bracht me naar Schiphol, met Rocinante strak verpakt in een giga-kartonnen doos, die maar net in de auto paste. Ikzelf ook goed ‘verpakt’ met mondmasker, spatscherm en plastic handschoenen; ‘just in case’. Weliswaar zit er één dosis discutabel vaccin in m’n arm, maar naar Schiphol gaan, is zoiets als Sodom en Gomorra bezoeken: de internationale ‘hub’ van diverse virus-varianten.. Maar druk was het gelukkig niet en ik had zowaar mijn hele rij (van twee stoelen) voor mij alleen. Twee uurtjes niet ademen en voor ik het weet land ik door de mist (helaas de Pyreneëen niet gezien) in Noord Spanje, ook wel de groene kust genoemd (dus veel regen..).

Bilbao Aeropuerto is van een staaltje moderne kunst, die Calatrava zou hebben kunnen ontwerpen… en dat heeft hij dan ook. Jeweetwel, de architect van die futuristische gebouwen in de drooggelegde rivierbedding in Valéncia (én van een afgeblazen, megalomane Campus Maastricht, maar dat komt omdat wij Nederlanders bij unieke projecten graag de vinger op de knip willen houden..). Nee, de Spanjaarden kunnen wel overweg met grootse ontwerpen en dan mag het (ietsje) meer kosten. 😉

Een schitterende, bijna verwarrende entrée in Baskenland!

Carlos van Radiotaxi Bilbao krapt op zijn bijna kale bol als hij mij aan ziet komen met mijn fietsdoos. Even uitleggen: normaliter pleeg ik mijn fietsreizen niet per taxi af te leggen, maar toen ik thuis de eerste kilometers inspecteerde met google maps/earth, zag ik dat Bilbao en zijn vliegveld zijn gescheiden door een flinke ‘pukkel’, waarlangs keurige snelwegen lopen om snel in het centrum te geraken. Met de eerste dagen na aankomst als weerbericht: regen, leek het me niet zo verstandig om de 15km naar het centrum ongetraind trappend af te leggen. Dus voor vertrek de maten van de doos doorgegeven (‘hij past in een C5-break’), maar Carlos denkt dat de ‘Mercedes Van’ die hij heeft geregeld, niet groot genoeg is. Samen puzzelen we welke stoelen eruit zouden moeten (opklappen kan niet), maar bij nader inzien denkt hij dat het lukt als hij alle hoofdsteunen verwijdert, zodat rocinante-in-doos bovenop de rugleuningen kan liggen. En zo geschiedt het! Hij rijdt ons via een pittige klim naar het Casco Viejo van de stad; het miezert, dus ben ik even dubbel blij met deze ‘luie’ start.

Mijn eerste indruk van Bilbao is dat het enigszins bevreemdt, of vervreemdend is. En daar komt de ‘vau’. Hoewel ik veel van mijn middelbare-school-tijd ben vergeten, is dit woord me altijd bijgebleven van mijn leraar Duits, die een fan was van Bertolt Brecht en dus het vervreemdings-effect, het ‘vau-effekt’ (naar de eerste Duitse letter van ‘verfremdung’)*. Niet alleen leveren de met mondmaskers bedekte gezichten van de mensen aan de tafeltjes op de terrassen (alleen even af om een slok of een hap te nemen!) een surrealistisch beeld op, waar je als toeschouwer even aan moet wennen, maar ook de combinatie van oude en nieuwe architectuur, naast elkaar, maar soms ook op elkaar, geven me het gevoel dat ik op een andere planeet ben beland.

*Brecht had de gewoonte in zijn toneelstukken plotseling een luide knal te laten horen, of ineens de  toeschouwers vermanend toe te spreken, opdat het publiek niet te veel zou worden meegezogen in zijn stuk; een moment van vervreemding dus. Tsja, je zal het maar onthouden hebben (en zoveel andere, belangrijker zaken zijn vergeten 😉).

Vervreemdend dus, maar reuze interessant. Met als topattractie het gebouw en de entourage van hét museum van Bilbao, het Guggenheim. Aan de ene kant van de Ría de Nervion (met eb en bloed, ook zo’n element dat je niet verwacht in een stad die 21km van de kust -Playa de Sopelana aan de Golf van Biskaje- is verwijderd) staan gotische gebouwen tegen een met veel groen en een enkele palm beklede helling..;

..aan de andere straalt de zilveren bedekking van het hypermoderne icoon van de stad je tegemoet (het is gelukkig tijdens mijn bezoek vandaag heerlijk zonnig!), met ernaast een felrode één-pyloons tuigbrug en een uit elkaar gereten ‘wolkenkrabber’ (ik moet nog opzoeken wat de betekenis ervan is; Carlos zei er iets over in de taxi, maar dat verstond ik niet door de mondkapjes).

Je waant je dus het ene moment in de 19e eeuw en als je je omdraait sta je op de planeet Vulcanus, met een groteske spin (‘Maman’), die je in een onbewaakt moment kan inspinnen en verorberen. Ik krijg er niet bepaald moederlijke gevoelens bij! Maar het bloemen ‘whiskyhondje’ Puppy van Jeff Koons voor de entrée van het museum (nu mét mondkapje), is van een iets minder angstaanjagend kaliber.

Zo dwaal ik door de stad, die net als zijn naamgenoot, op één letter na, Lisbao, over de heuvels uitdijt en waar je op verschillende plaatsen een lift kan nemen naar de bovenstad. Alleen een krakend trammetje omhoog ontbreekt hier. Boven op de heuvel heb ik een mooi uitzicht over de stad en de rivier en ik verbeeld me dat ik nog de geluiden van de scheepswerven hoor, op de plek waar het museum en de omliggende moderne gebouwen zijn verrezen; scheepswerven en zware metaalindustrie, die Bilbao in vroeger tijden tot een rijke Baskische stad hebben gevormd, totdat de zgn. ‘autarkie’ (economisch isolement) verval inluidde. Maar met de komst van het museum is van isolement geen sprake meer, zelfs niet in corona-tijd. De stad bruist van het leven en de gezelligheid, al is het nu om 20:00u even afgelopen. Plaza Nueva, waar mijn pensionkamer op uitkijkt, was vandaag boordevol gevuld met luid pratende Bilbo’s (rumoer met mondmasker!). Dat is niet oneerbiedig bedoeld: in het Euskerisch (Baskisch) heet de stad Bilbo. Nu om 21:00 is het plein leeg, op een verdwaalde kat na en kan je een speld horen vallen. Over vervreemding gesproken…

Tot slot nog enkele foto’s van mijn museumbezoek: los van de vaste collectie is er een Kandinsky- tentoonstelling!

Morgen maar eens echt in de benen! Op naar Alicante..

 

Geplaatst in Reisverslagen | 5 reacties

Cirkel weer rond

Glimp van de Puig Major, hoogste berg op Mallorca, 1.445m

En dán ben je ineens weer terug in Palma de Mallorca, de hoofstad die vanaf de zee wordt gedomineerd door de imposante kathedraal. Zo immens, dat ‘ie met moeite van dichtbij in zijn geheel op de foto is te krijgen.

Volgens internet zijn de kathedraal, het Palacio Real en de rambla (Passeig des Born) drie van de tien highlights van de stad, dus ook die bezocht ik vandaag. Eén van de andere, de Ferrocarril de Sóller, het spoorlijntje, zag ik daar al (en die heb ik bovendien al eens bereden in 2002).

Ik schrijf dit op een druk terras met lokalen en toeristen, onder het lommerrijke gebladerte van enkele platanen (hoe kan het ook anders op een Spaans terras). Dus een copa de rosado mag ook hier niet ontbreken.

Het personeel is snel en zeer vriendelijk, met één mits: je wordt standaard in het Engels te woord gestaan, zelfs wanneer je hen in (zo goed mogelijk) Spaans aanspreekt. Tsja, toeristen.. Maar misschien is mijn accent na dagen op de fiets niet zo helder meer!

Dat brengt me op de sensatie dat ik weer moet wennen aan de kakafonie van geluiden in de stad. De mensen, het verkeer (een truck leegde zojuist een glasbak die naast het terras staat), af en toe een sirene.. Dat komt altijd even ‘binnen”, na dagen van ‘afzondering’ in de bergen (wat natuurlijk veel dramatischer klinkt dan het is, maar toch).

De kathedraal was van binnen ook gigantisch. Met veel gekleurde, gebrandschilderde ramen en enkele zilveren altaarstukken (betaald door de armen, denk ik altijd bij dit soort relikwieën), zo groot, dat ze door 10/15 sterke M/V gedragen moeten worden. Je kon op verschillende plekken een kaarsje kopen om aan te steken..

Het Palacio Real de la Almudaina, daarentegen, vond ik veel interessanter, want het herbergt historie van voor-christelijke culturen (resten van vóór AD), van romeinse en islamitische overheersers (met o.a. baños Árabes) en het huidige (zwaar gerestaureerde) uiterlijk dat de koningen Jaime I, Jaime II en Sancho I, en nog een hele lijst christelijke koningen hebben laten (ver)bouwen.

In één zaal stond opgetekend dat daar Jaime I van Aragon het overwinningspact had gesloten op Abu Yahya, Wāli (gouverneur) van het Almohaden-rijk onder al Andalus, op 31 december 1229. ’n Aardig nieuwjaars cadeautje voor de huidige gemeenschap van Medina Mayurqa, het huidige Palma de Mallorca. Een tafel symboliseerde de acte.

Prachtige robuste zalen met grote wandtapijten, waar een zacht windje door de open ramen vrij spel op had. Buiten, door die open ramen, kwamen ook de geluiden van de hedendaagse tijd naar binnen, muziek, stemmen, en soms duidelijk: ‘very good price, my friend’.

Door één raam aan zeezijde waren twee kollosale cruiseschepen zichtbaar, die bij de minste golfslag leken te kunnen kapseizen, zo buiten proporties zag de opbouw op het vaargedeelte er uit.

Binnen ademde rust en plechtigheid. Schilderijen van opeenvolgende overheersers keken eigenlijk best vriendelijk op de kijker neer. Dat moet Abu Yahya anders hebben ervaren…

Jaime I, of Jacobus I, el conquistador

Zijn zoon Jaap (‘Japie’ voor intimi) de 2e, koning van Mallorca

En zo rond ik mijn tocht in stijl af, onder het toeziend oog van strijders, die íets meer hebben moeten doen dan met een vervoermiddel het eiland te ontdekken. Ik heb dan wel Rocinante bij me en een multitool met een (overigens verrassend scherp) mes, maar de Jaimes gingen met échte paarden over de bergen en met zwaarden, die vanaf de grond tot hun borst rijkten, om het eiland voor mij veilig te maken.. Oei, kan ik dat zo wel zeggen? 🤔 Ik twijfel, maar ja, het staat er al..

De cirkel van strijd en vrede, van verleden en heden, van goed en kwaad, van… ja hoor ‘es, het was maar een fietstochtje hoor!

Maar díe cirkel, die is in ieder geval rond…

…en de wilde haren zijn weer gefatsoeneerd! 😉

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties

Over een lus in de weg, een boottocht en een norse huttenwaard

Wo. 9 okt. Prachtig weer, beetje wind. 41 km gefietst.

Ik zit nu op de totaalafstand van ca. 290 km in 5 dagen (de aankomst dag, met 4 km van het vliegveld naar hotel, niet meegerekend), dus een kleine 60 per dag. Niet bijzonder veel, maar met vandaag is dat niet verwonderlijk. Een dag van fors stijgen, steil afdalen en daarna van een heerlijke lunch in een simpel eettentje in de pittoreske haven van Sa Calobra, met een medefietser (Duitser), in afwachting van de boot, (hûh de boot?) van Sa Calobra naar Port de Sóller.

De natuurlijk haven Sa Calobra

Ja, de boot, dat zag ik in het fietsboekje dat ik heb gekocht voor de voorbereiding; het boekje heb ik wel bij me, maar eigenlijk gebruik ik het niet, want ik heb de gpx-coördinaten van het boekje op m’n telefoon geladen, zodat alles in Locus Map zichtbaar is (zo heb ik overigens wel meer bij me dat ik best thuis had kunnen laten..).

De tocht naar Sa Calobra was een belevenis: eerst met talloze haarspeldbochten omhoog, met in het allerkleinste verzet een snelheid van niet meer dan 5 km/uur, maar daarna kwàm er toch een afdaling..! 10 km met haarspeldbochten, die grote touringcars met veel moeite en uiterst voorzichtig moesten nemen. En als klap op de afdalingsvuurpijl een lus in de weg, die onder zichzelf door draait (Coll dels Reis).

Even verderop waren de rotsen aan weerskanten van de weg elkaar zo dicht genaderd, dat er bijna een soort natuurlijke tunnel was ontstaan, precies breed genoeg voor de bussen. Spektakel dus!

Ik heb een filmpje van de afdaling gemaakt, met de telefoon vastgemaakt aan de stuurtas; zie:

Afdaling naar Sa Calobra

Het was wel spannend: het remmen, het verkeer en de concentratie op het wegdek. Geen fouten maken..! Maar na de eindeloze afdaling, kwam ik met kramp in mijn vingers aan in het natuurlijke haventje van Sa Calobra, waar de boot al lag te wachten. Kaartje kopen kon nog even niet, want de bemanning was aan het lunchen…

Dat ging ik dus ook maar doen en ik vond een vrij tafeltje aan het water. Vlak na mij kwam een andere (sport)fietser aan en de ober vroeg of ik er bezwaar tegen had als hij zou aanschuiven. Fietsers onder elkaar, moet de man gedacht hebben.

Natuurlijk was dat geen probleem en we hebben gezellig keuvelend beide calamar al la plancha gegeten. Hij met een cola (hij ging weer zelfde weg terug omhoog nl.), ik met een copa de rosado, want de boottocht zou een uurtje duren. Ik moet bekennen dat ik onderweg, door het schommelen van de boot, zelf ook schommelend een oogje dicht deed..

Ging nèt!

Aankomst in Port de Sóller, het tot nu toe mooiste dorpje van Mallorca, vind ik. Een prachtige baai, omgeven door imposante bergen en vnl. lage bebouwing; oude huizen vooral.

Vanuit Port de Sóller gaat een rammelend trammetje naar Sóller en verder naar Palma; fietsen niet toegestaan!

Toen ik in Lluc overnachtte sprak ik twee wandelaars, die de GR221 liepen, een wandeltocht door de hele bergketen van ZW naar NO. Zij maakten mij erop attent dat een aantal Refugio’s ook met de fiets bereikbaar is. En aangezien Refugi de Muleta, bij de Faro, op 2,5 km van het haventje ligt, ben ik daar naartoe gereden. Ahum, wel 10% stijgen, wat na lunch en de ‘vermoeidende’ tocht over zee, wel even tegenviel.

Op weg naar de Refugi de Muleta

De huttenwaard (ik weet niet wat dat in het Spaans is) was -zoals het een huttenwaard betaamt- wat nors en van weinig woorden, maar de twee rondbuikige kokkinnen, die na gedane arbeid op het punt stonden te vertrekken, waren goedlachs en één en al praatjes. Of ik vanavond ook kon eten, vroeg ik de waard. Die knikte nee; ik had moeten reserveren. Er was voor 16 gasten gekookt en de kokkinnen waren er net vandoor. Een broodje kon ik krijgen…

Maar voor zo’n gat laat ik mij natuurlijk niet vangen. Ik wacht wel, zei ik. En even later mocht ik tegen gereduceerd tarief de resten van de schalen leeg eten.. (waarom niet gewoon terug naar de haven fietsen voor een heerlijk restaurantje? Dat had ik natuurlijk kunnen doen, maar ik zag op tegen die 2,5 km – 10% terug, na het nuttigen van enkele ‘12%’!).

En de nacht? Die was -zoals het in een hut betaamt- onrustig.. ondanks de oordoppen!

Uitzicht uit de refugio…

…om moe van te worden!

Geplaatst in Reisverslagen | 1 reactie

Over plagen en het paradijs

Di. 8 oktober, stralend weer en straf windje (tramuntana); (slechts) 47 km gefietst.

Mallorca is een prachtig eiland. Dat is natuurlijk logisch, anders ga je er niet naar toe. Maar toch wist ik niet (meer) in welk opzicht het verschilt van Ibiza. Wat me vanaf het begin is opgevallen, is dat Mallorca een eiland is van muurtjes langs de weg. Dat kan ik me van Ibiza niet herinneren (wat ook weer niet vreemd is, in mijn geval), maar het doet dus een beetje denken aan Schotland, met het prettige verschil dat hier de zon schijnt en het bovendien 25° is in oktober. ‘Kom daar maar eens om in Schotland’ (is dat goed Nederlands?).

Muurtje

Wat ook opvalt, is dat een tweetal ‘plagen’ het eiland (nog) niet heeft geteisterd! Ten eerste staan de schijf/vijgen-cactussen hier nog vollop in de kracht van hun bloei. Deze soort is op het vasteland, -in ieder geval aan de oostkust- getroffen door een luis, de wolluis (heb ik moeten opzoeken), waardoor de ‘schijven’ (de dikke, ovaal-ronde groeiwijze, die steeds verder op elkaar groeit) een wittig spinsel vertonen.

Foto van internet

Een lokale bewoner op het vasteland liet mij een keer zien wat er in dat witte spinsel zit: een paarsrode kleurstof, die vroeger werd ‘geoogst’, maar die gewoonte is inmiddels in onbruik geraakt door synthetische kleurstoffen. De luis zorgt er -onbestreden- overigens wel voor dat de cactus bezwijkt of in ieder geval wegkwijnt. Zo is dat te zien aan de oostkust, heel triest: oeroude cactussen met hangende en verlepte schijven. Hier gelukkig niet!

En zo bewijst Darwins eiland-theorie weer zijn waarde. De luis heeft de zee naar het eiland kennelijk nog niet over kunnen steken, waardoor de cactus op Mallorca overleeft; en nu maar hopen dat de luis niet meelift op de schepen van Baleària, die dagelijks een paar keer heen-en-weer varen.

Vanzelfsprekend staat Mallorca ook vol met palmen, vele dadelpalmen, prachtige exemplaren met zware ‘rokken’ van oude bladeren, of schoongekapt (een professie op zich!) tot een gladde stam, soms met bovenin nog een ‘ananas’, die ontstaat als de uitgebloeide bladeren niet helemaal worden weggesneden (ik moet er nog een foto van maken).

Maar wat is het probleem op het vaste land..? Daar is de gevreesde palmkever, de ‘picudo rojo’!

Picudo rojo, (ook foto van internet, gelukkig!)

Een onooglijk kevertje, met een flinke snuit, die een gat boort in de kern van de stam van de palm en daar zijn eieren legt. De larven eten vervolgens de zachte kern op en ‘pats’, de palm bezwijkt, omdat de sapstroom stopt. Enorme palmen, met stammen van meters hoog, met bovenin verlepte, hangende palmtakken; ook erg triest om te zien en er zit niets anders op dan de dode boom om te zagen. Dat zie je aan de oostkust van het vasteland heel veel.Maar hier op het eiland heb ik nog geen enkele aangetaste palm gezien.

Daar ga ik naar toe…

Mallorca, dus. Onaangetast, maar wel geïnfecteerd door een andere ‘plaag’. Toeristen… Zoals ik! Inmiddels ben ik gestopt om medefietsers in het Spaans te begroeten, want het zijn voor 99% Duitsers of Engelsen. Er worden veel reizen georganiseerd, waarbij je met gehuurde fiets, onder begeleiding, race/sport-fietstochten kan maken maken. Dat is natuurlijk heel sportief en zoals ik al eerder opmerkte is de gemiddelde leeftijd van die in strak tenue gestoken fietsers zo tussen de 60 en de 70! Met recht en respect: krasse knarren (hoewel ik er dus nèt één van geworden ben…).

En vandaag fietste ik naar het Sanctuari de Lluc, een klooster in de bergen van de Serra de Tramuntana, dat ik eerder heb bezocht tijdens mijn reis met rode K. en S. Een tocht met talloze haarspeldbochten en een gemiddeld stijgingspercentage van 8%. Grote groepen wielrenners kwamen mij in hun afdaling tegemoet, ongetwijfeld met een vaartje van 50 km/u of meer.

Ook veel verkeer helaas, maar gelukkig op dit uur in de middag komt het mij voornamelijk tegemoet. Enorme touringcars die een haarspeldbocht volledig nodig hebben om er door te komen en dat levert af en toe een afdalende file op van bussen, auto’s en fietsers! Voor mij is het steeds maar even druk, maar ik zou nu niet graag afdaler zijn (ondanks mijn pittige stijging). Geen pretje om erachter te hangen!

Maar na 10 km is daar de beloning: monikkenbier na het gelijknamige werk smaakt heerlijk. In de overdadige zon op het terras van het kloosterrestaurant kom ik helemaal bij.

De kamers, zo’n 10-12 jaar geleden uiterst sober (nog net geen stenen brits), zijn inmiddels helemaal gerenoveerd en redelijk luxe. Ik heb er één op de hoek van het gebouw, met naar beide kanten een mooi uitzicht op de omringende bergen en de ondergaande zon. Hoewel ik hier niet ben uit geloofsovertuiging, geloof ik plechtig dat het hier paradijselijk is!

Geplaatst in Reisverslagen | 4 reacties

De duivel en zijn tegenpool

Ma. 7 okt. Zon en wind. 61 km gefietst.

Maar ik begin met gisteren, ook een heerlijke dag met zon/lichtbewolkt en van de 65 km, die ik zondag heb gefietst waren het er 20 over een ‘via verde’, een voormalige smalspoorbaan die is omgetoverd tot fietsroute (na ontdaan te zijn van rails en bielzen, welteverstaan). Een prima gravelpad, met hier en daar wat keitjes of rul zand, maar overwegend goed te fietsen. Een enkele tunnel, maar mijn nieuwe Axa Luxx 70-USB koplamp bewijst zijn 70 lux voortreffelijk. De USB heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar als het moet kan ik er mijn telefoon of powerbank mee opladen. Wel gebruik ik de powerbank zelf veel (dank je Daan!), want met Locus Map en de gps aan moet ik hem zeker 1x tijdens een dagrit bijvoeden.

Het voordeel van een via verde is dat het percentage stijgen of dalen nooit meer dan 2-3% is! Ondanks de zondag was het stil op de fietsroute; de meeste sportfietsers (veel Duitsers) hier preferen asfalt! Normaal verwacht ik op zondag groepen mensen (Spanjaarden), die gaan picknicken in de ‘campo’, maar daarvoor heb je een auto nodig (stoeltjes, tafeltje, koeltassen en soms muziekinstrumenten, voor een spontane blaassessie, zoals ik die met M. ooit meemaakte op Gran Canaria!) en die zijn niet toegestaan op de VV. Dus had ik het fiets-spoorbaan-rijk grotendeels voor mij alleen.

De andere 45 km was over overwegend stille weggetjes, door een agrarisch landschap, met een leuke koffiestop bij een ‘prehistorische’ opgraving, die ik deze keer onbezichtigd heb gelaten. De foto’s van de site in het koffietentje -overigens een populaire ontmoetingsplek van lokalen, die er de aanwezige kranten kwamen lezen, onder het genot van een koffie en een klein glaasje ‘iets’ (lees: sterke drank)- waren niet echt uitnodigend: wat kale stenen en een paar ruwe plattegronden van waar eens een paar bouwsels gestaan moeten hebben; dat was alles, voor de entree van 3 euro.

Het houten bouwsel van het koffietentje daarentegen was overigens erg gezellig en ik kon onder het genot van een paar koffie -zonder ‘iets’- het wassen van Rocinante optekenen.

En zomaar kom ik vrijwel in ‘the middle of nowhere’ weer een grote kathedraal-achtige kerk tegen. Net als tijdens mijn tocht iets ten zuiden van Sevilla in 2015, wat achteraf een optrekje bleek te zijn van een zichzelf tot de ware paus gekroonde malloot, die overigens flink wat aanhangers had, want je moet wel wat bijdragen ontvangen om zoiets te laten bouwen. ‘Had’, want de man, ik weet even zijn naam niet meer, is jammerlijk omgekomen bij een auto-ongeluk. Maar hier staat ineens dus ook een enorm godsgebouw, met op het zelfde terrein een prachtige windmolen.

Rocinante, hou je in! Nee, we gaan niet ten strijde vandaag. Lekker laten staan dat cultuur-historische relikwie.

Aan het einde van de via verde lag Artà, een leuk stadje met oude gebouwen en een gezellig, rechthoekig plein met grote platanen. En zoals het Spanje en de Spanjaarden betaamt zijn daar ’s avonds laat nog kinderen aan het spelen. Ouders en famile op het terras, kletsend en lachend. Een heerlijke avondlucht, doordrenkt van de zoete geur van een (klim)plant, die vaak overdag vergeven is van de bijen.

Foto iets later; kinderen naar bed!

Maar voordat ik daar op een terrasje ben gaan eten, ben ik eerst op zoek gegaan naar een hotelletje. Dat was nog niet zo gemakkelijk, want op Booking kreeg ik geen enkele ‘hit’. Dus eerst naar een plaatselijke kroeg, waar ik de standaard vraag stelde of er een hostal is in het dorp.., of: misschien kennen jullie iemand die kamers verhuurt? Jazeker, maar dat blijkt 5 km terug op de route, bij familie. Nee, terugfietsen, dat is geen optie..

Nu had ik via google wel een hotel gezien in een oud Mallorquin huis, maar dat vond ik eigenlijk wat te duur. Na wat verder rondvragen en zoeken rijd ik toch naar dat huis/hotel, waar net een dame de deur uit gaat en deze afsluit. Nu niet meer twijfelen en de dame aanspreken! Zij kijkt wat verschrikt (hoe komt dat toch, na een rit van 65 km?), maar zegt dat ze wel een kamer vrij heeft. Ja, de fiets mag naar binnen, in de grote gang met marmeren tegels. Maar eerst moet de oude dubbele deur helemaal open en dat kost wat moeite: beide deurdelen hebben een deur-in-een-deur, dus de dame (Duitse) is even bezig om me binnen te laten.

Maar binnen straalt het hotel historie. Oude tekeningen van gebouwen, statige familie-foto’s, meubels, die de tand des tijds goed hebben doorstaan (weliswaar met kleine gaatjes…😉) en (helaas) ook een discutabel schilderij van een generalissimo (niet die ene gelukkig!).

Een prima overnachting! En nu moet ik nog beginnen aan de belevenissen van vandaag!

Ik kan je wel verklappen dat het begon met regen.. De Duitse dame zei dat ze niet vóór 9 uur ontbijt kon maken, dus als ik vroeger wilde vertrekken, ik op het plein een ‘tostada’ zou moeten bestellen.

Maar omdat bij het opstaan de lucht zwart was en een flinke bui naar beneden kwam, ben ik toch maar even blijven liggen om het ontbijt van het hotel af te wachten. Het was het wachten waard! Niet alleen startte ik vandaag daardoor droog, maar ook nog eens met een copieuze ochtendmaaltijd, waarvan ik nog tot 3 uur vanmiddag van heb kunnen genieten! En dát was tijdens mijn lunch, in een prachtig natuurgebied met witte ibissen, flink wat torenvalken en een paartje rode wouws (wouwen?), wat ik nu zit te schrijven in een ‘te gek’ steakhouse in Port d’Alcudia, mijn volgende bestemming, met alleen maar Creedence-, Stones-, Zeppelin- en Fleetwood-muziek. Kan je lekkerder ‘mellow’ worden? De ‘devil in disguise’…

De bril voor jou gekocht, Daan!

Morgen meer…, als ik het me nog kan herinneren.

Maar wees gerust, morgen slaap ik in het Santuari de Lluc, een klooster met harde britsen en droog brood en water. Even tot bezinning komen bij zijn tegenpool… 😂🤣

Naschrift: bij thuiskomst in NL heb ik die grote kathedraal in de campo nog eens opgezocht: het blijkt een uiterst luxe Hilton-hotel te zijn (geworden).. de duivel en zijn tegenpool ineen?

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties

Rocinantes wasbeurt

Bij het verlaten van mijn kamer in Hotel Antares heb ik maar een ruimere fooi achtergelaten voor de kamerschoonma(a)k(st)er, dan normaal. De kamer, maar ook de gangen lagen bezaaid met droge modderklodders. Oei, dat hebben ze geweten. ‘Avontuurlijke NL-se 60-tiger langs geweest; had bovendien vreselijke wilde haren. Niet meer toelaten, dat soort!’

En die fiets! Die stond in een schoonmaakhok, dat ze nu ook nog eens extra moeten schoonmaken.. Ik schaam me diep, maar in de overtuiging dat Spanjaarden flinke poetsers zijn, zal het allemaal wel goed komen.

Cala d’Or is een lieflijk dorpje aan verschillende baaitjes. Althans, zo zag het er vanochtend uit. Opkomende zon en een nog vrijwel leeg strandje. De enorme aantallen toeristen gisteravond, in de kleine straatjes met talloze eetgelegenheden, doet vermoeden dat het over een uur of wat vreselijk vol zal zijn, maar dat maak ik niet meer mee. Even langs de Spar voor melk en kaas en een halve barra. Net als ik op mijn bevuilde fiets wil stappen om dag 2 in te gaan (‘wat gaan we vandaag weer meemaken?’), zie ik een man met een hoge drukspuit zijn terras schoonmaken. Dat is nog eens mazzel! Ik schiet hem aan en vraag wat hij van mijn fiets vindt? ‘Madre mia’, waar ík geweest ben. En zonder aarzelen zet hij de spuit op mijn fiets, die ik meen een zucht van verlichting te horen slaken. Ik zei toch dat Spanjaarden poetsers zijn en dat komt nu erg gelegen. Van top tot teen, links en rechts, langzaam komt Rocinante onder de modder vandaan. Als ik op de fiets stap, loopt het voorspatbord aan, maar dat komt omdat het gisteren door de opgehoopte modder was losgetrokken en nu weer vrij op de band hangt. Even vastzetten en de reis vangt weer aan! Fris en schoon!

En mijn haren gekamd..

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties

Zware dag met D-tours..

Za. 5-10, zon en wolken, zeker 25°.

76 km ‘gefietst’, zeg maar afgelegd, want 4 km heb ik gelopen over een rotsig pad langs de kust en later 2 km geploeterd in de modder… Een dag van D-tours; een dag van doorsteekjes proberen, maar die -als het puntje bij paaltje komt- toch niet heel slim bleken.. Maar daarover later meer!

Ik doe deze tocht tegen de klok in (contra-reloj, zei een man tegen me die me de weg wees vandaag; leuk dat je woorden vaak letterlijk kan vertalen). Starten met de ‘vlakke’ delen, om later deze week de toch wel imposante bergen in te duiken. Ik kon ze vandaag al met ontzag, en flink onder de indruk van wat nog komen gaat, bewonderen. Goed, het eerste deel is vooral vlak, met af en toe wat kuitenbijters tussendoor.

Vanuit Can Pastilla, vlakbij het vliegveld, waar ik de eerste overnachting heb genoten in Helios Mallorca Hotel, een giga-hotel met giga-eetzaal en giga-veel Engelsen en Duitsers. Ik ben er naar toe gefietst met de lege doos op m’n rug, slechts 4 km dus dat ging goed. De doos staat nu in de fietsenstalling van het hotel. Fietsenstalling..?! Je leest het goed!

Die giga-aantallen toeristen zijn ook voor een groot deel hele sportieve mensen, die met reclameshirts en -broeken én met clic-schoenen (zelf niet bij me, want mijn fietsschoenen zijn tevens loopschoenen en op clic-schoenen lopen, is als het nadoen van Fred Astaire, in een te strak pakje). Vandaag werd ik vlakbij mijn startpunt verschillende keren ingehaald door groepen heren op leeftijd (says you..) en ook door een krasse Engelse dame, die minstens de 80 gepasseerd moest zijn, en ook in het voorbij gaan nog eens luchtig ‘hi dear’ uitriep (dat ‘dear’ meende ik te verstaan, maar het kan ook op fantasie berusten.. 😉 ).

Wat niet wegneemt dat zij niet erg diervriendelijk was (misschien wel bijziend?), want vlak na onze ontmoeting passeerde ik dit ontroerende schepsel, midden op de weg:

Weliswaar had hij met het weinige verkeer op dit weggetje best kans om veilig de overkant te bereiken, maar dit lot wilde ik toch even een zetje geven, één dag ná werelddierendag (terwijl Marianne Thieme deze week de PvdD heeft verlaten..). Dus ging ik in de remmen en zette de stakker (néé, geen mensentrekjes op dieren projecteren, zegt een adviesrapport van Minister Schouten op 28 september j.l.) over naar de andere kant van de weg, niet nadat ik hem een in watergedrenkt stukje brood voor zijn verstopte neus zette. Euh.., of ie verkouden was weet ik niet, maar zijn neus had ‘ie, samen met zijn poten lekker veilig in zijn huis teruggetrokken.. Goede daad gedaan!

(Schijnheil, op 4 okt at ik dit:

..en het smaakte me uitstekend..!)

Oké, voordat het weer een lang verhaal wordt: vandaag zag ik de route die ik in NL had samengesteld uit een uiterst leuk boekje, het ‘Bikeline Radtourenbuch‘ (geen wonder veel Duitsers hier) dat de route best een D-tour kon gebruiken, langs de kust. Kijk maar: blauw is NL, rood is vandaag!

Maar die ‘afsteek’ begon eerst met een dicht hek (punt nèt na verlaten van de blauwe route); niet getreurd, even terug leek toch een doorgang, maar ja dan kom je deze passage tegen:

..en dat is voor deze fiets toch iets te smal:

Goed, tassen eraf en doorgaan. Maar het vervolg bleek toch op stukken iets te ruw, dus lopen:

Een joggende man (die van ‘contra-reloj’) hielp mij het juiste pad te vinden; op de fiets haalde ik hem niet in, dus heel hard ging het bij mij niet en delen moest ik toch echt afstappen, om mijn banden, frame en remmen een beetje te ontzien. Maar het uitzicht was prachtig! Menorca in de verte..(nee, later zag ik dat het het kleine eilandje Cabrera moet zijn geweest)

..dus deze D-tour was de inspanning waard!

Maar toen! Toen dacht ik een leuke doorsteek te kunnen maken door de Salinas. Google maps wees mij een prima pad, maar Google maps is niet op de hoogte van de plaatselijke weersgesteldheid. En nèt op het moment dat door me heen schoot dat het toch wel fijn was dat het aarden pad hard en droog was, schoot mijn wiel door een oppervlakkige harde laag in de onderliggende zachte laag. Ik ging onderuit, maar wat erger was, mijn wiel bleef zachte aarde opslokken! Dikke klodders, zeg maar plakaten rode ‘moederaarde’ (hè, ma) hoopten zich op tussen spatbord en wiel. Er zat geen beweging meer in!

Ik kan je verklappen dat ik aardig radeloos was. Het vervolg werd natter en natter. Stom-stom Stoop! Salinas danken hun bestaan aan natte grond die evaporeert en het zout achterlaat. Zout was weliswaar in geen velden of wegen te bekennen, maar het vooruitzicht om mijn fiets door het slikken-Verdronkenland van Saefthinge te moeten slepen, had bij mij als Zeeuw en belletje moeten doen rinkelen!

Op zo’n moment slaat de paniek toe, maar -gek genoeg- tegelijkertijd een koele rust van: oké, het zit tegen, even nadenken, geen gekke dingen doen!

Dus zat er niets anders op dan de tassen van mijn fiets te halen en lopend terug te brengen. Vervolgens de fiets ophalen en dat 3x achter elkaar, stukje bij beetje (‘poco a poco’). En ieder keer met twee stokjes (die ik altijd bij me heb: voor een afgelopen ketting!) de dikke vette modder tussen wiel en spatbord vandaan peuteren.. Ik heb er geen foto’s van; de adrenaline liet het op dat moment niet toe, maar wat wàs ik blij weer op de asfaltweg terug te zijn (HK, net zoals bij onze eerste Alpentocht, vanuit de Neuer Rutlingerhütte 🙄).

Het vervolg? Geen D-Tours meer, braaf over de weg. Tot in Cala d’Or, waar ik in Hotel Antares een prima betaalbaar hotel heb gevonden. Mijn schoenen in de douche schoongemaakt: een bruine, blubberige bedoening. De fiets moet nog een beurt krijgen, misschien morgen bij een benzinestation (hoe doe je dat, een fiets door de wasstraat halen 🤔).

En terwijl ik dit zit te schrijven schenkt Liza, uit NL, van Restaurante La Bodega in Cala d’Or, mij een extra glas wijn in. Een Vino Mallorquino i.p.v. de ‘vino de la casa’. Van het huis! Dank je Liza, had ik net nodig.

Morgen geen D-Tour meer!

Truste..

Geplaatst in Reisverslagen | 7 reacties

Wilde Haren Eiland

Stel je bent net jarig geweest en je kijkt tegen twee cijfers aan, die opgeteld niet meer (maar ook niet minder) dan 6 zijn. Nu ben ik de 15, de 24 en de 33, maar ook de 42 en de 51 al even gepasseerd, dus dan blijft er niet zoveel keuze over…

Ik heb die mijlpaal net gevierd met een lunch op het strand met dierbaren, onder het motto: 60 jaar wilde haren, dat moet gevierd worden! Het was gelukkig druilerig, zeg maar gerust stormachtig aan de kust, dus iedereen kwam in stijl…

Tot mijn opluchting heb ik geen spreekwoordelijke geraniums gekregen; wel een vijgenplant, maar daarvan zijn de bladeren nog te klein om mij fatsoenlijk achter te vertonen. Ik memoreerde bij de festiviteiten dat 60 het nieuwe 50 is (wat ik bij de leeftijd over 10 jaar hopelijk weer mag zeggen) en dus is er geen tijd om bij de pakken neer te zitten, maar is het verstandiger die pakken aan de fiets te hangen en naar buiten te gaan.

Want buiten liggen verhalen, avonturen en ligt het leven op straat. Mensen die je film in- en uitlopen en met een gebeurtenis een onuitwisbare indruk achterlaten. Kleuren en geluiden die je met je ogen dicht terug kan halen (als je ooit achter de geraniums belandt).

Kortom: buiten zijn wilde haren die lokken!

Dus is het lekker weer tijd om op de fiets te stappen. Rocinante is nagekeken en opgepoetst en inmiddels staat een doos klaar waarmee hij vrijdag -hopelijk met liefde– in het vliegtuig wordt getild. De bestemming is Mallorca: eiland van wilde stranden, wilde kusten, wilde paden en dorpen met wilde kroegen.

Wilde bergen, wilde luchten, maar bovenal: eiland van wilde haren!

Heb ik je aandacht?

Geplaatst in Reisverslagen | 1 reactie

Zee-in-(ge)zicht

Het moet ergens in juli van dit jaar geweest zijn dat (ex)collega’s Bas, Nico en ik een biertje dronken op het Plein in DH (HK kon er helaas niet bij zijn) en herinneringen ophaalden van de FJC-wandeltocht in Noord Zweden in 2015. “Dit jaar een nieuw avontuur” zei ik uitnodigend, en laat Bas nu min of meer tijdens mijn laatste etappes een familie weekend gepland hebben in Barcelona! Dat is niet ver rijden van de Pyreneeën, een paar extra dagen vakantie opnemen dus…

En zo ontstond het plan om vier etappes samen te lopen; oorspronkelijk gepland van Setcases naar Albanyà, maar omdat ik vooraf ook niet wist hoe alles zou ver’lopen’ (en ik in de voorbereiding te veel rustdagen tijdens de tocht had ingepland), is het schema na overleg gewijzigd van Albanyà naar Llança (etappe 41-44), wat mij betreft de laatste vier etappes van de GR11. Dat er nog een allerlaatste etappe naar Cap de Crues aan vast zit, heeft meer te maken met het feit dat je aldus van kaap (Cabo de Higer) naar kaap loopt (zoiets als het Pieterpad, van.. jeweetwel), dan dat het nog een heel zinvol, fascinerend laatste traject is. Volgens Johnson: “there is only very limited accomodation and no water point, so you need to decide what to do when you get there..”. Ik kan me een uitnodigender epiloog voorstellen…

En aangezien Llança aan de Middellandse Zee ligt kan ik mijn doel: uit beide zeeën een slok nemen om het verschil in zoutpeil wetenschappelijk vast te stellen, realiseren. Voor mij en Bas geen etappe 45 dus.

Hulde aan I dat zij Bas een aantal dagen extra verlof laat opnemen voor deze heroïsche berg-epiloog! Hulde aan Bas dat hij het prima vindt dat we gedrieën lopen: Connor is per slot van rekening al bijna drie weken mijn metgezel; wij vinden het ook leuk om (bijna) gezamenlijk te eindigen (“lôvely… you know what I mean?”).

Maar Connor is een GR-purist, die niet van de beschreven route afwijkt (ook niet met een duim in de lucht voor een kleine lift..), dus voor hem zéker wel etappe 45, al is het maar omdat hij ‘sweet memories’ heeft in Port de Selva. Vergelijkbaar met mijn Aliaga-herinneringen.. Hij heeft er een ultieme haircut voor over!

Afijn, het begint met de ontmoeting met Bas, zijn broer R en vriendin V (Madrileense), die beiden sinds enige tijd in Barça wonen (en de reden voor het familietripje). Zij zijn bereid om Bas naar Albanyà te rijden, wat dankzij een verkeerde afslag een ‘toeristische route’ wordt. Connor en ik zijn inmiddels in Albanyà aangekomen en nemen in een centrale bar-restaurant ons eerste drankje, heerlijk op het terras onder een paar grote platanen; het is zondagmiddag dus ‘party-time’ voor de locals in Albanyà (ca. 150 inwoners). Als Bas c.s. arriveren komen er méér drankjes op tafel.

V kan namens ons allen in Max Verstappen-Spaans het woord doen (en dan doel ik niet op zijn uitspraak, maar op waar hij goed in is); ík kan het in ieder geval niet bijhouden.. R spreekt overigens een behoorlijk deuntje mee (naast Frans, Engels en Zeeuws).

Na een zeer gezellige lunch brengen V&R ons ook nog naar het door mij via internet gereserveerde casa rural op ca. 1,5 km buiten het dorp (en de GR). Als we er aankomen doet niemand open; een enorme verzameling lege drankflessen buiten, in een afgedankt bad, doet het ergste vermoeden.. We bellen aan, we bellen op.. geen enkele reactie. Een stel jagers (aan de lunch) in een schuur naast het huis laat ons weten dat het ‘anders’ is, sinds de zoon de logies van zijn overleden vader heeft overgenomen. We weten genoeg.. V helpt mij de reservering via B**king zonder kosten te annuleren (heerlijk, tijdelijk zo’n rap sprekende tolk ‘tot je beschikking’ te hebben) en we keren terug naar… het lunchadres van zojuist, wat achteraf een uiterst schone, nieuwe en gastvrije refugio, middenin het dorp blijkt te zijn! Staat nog niet in het boekje, noch op internet. Én de GR gaat morgen verder vanaf dit pleintje.

De eerste wandeldag voor Bas gaat door bosrijk terrein, niet meer de hoge bergen, maar evengoed met fors klimmen en dalen. Connor en ik hebben al 750+ in de benen; respect voor de nieuwkomer die zonder morren aansluit (wat overigens niet betekent dat er niet af en toe op z’n Bas’ wordt gevloekt en hij zichzelf vermanend of juist oppeppend toespreekt en hardop verlangt naar de eerste ‘estrellas’; nee, niet die in de sterrenhemel…). De etappe naar Maçanet de Cabrenys, via col La Trilla, is voldoende uitdagend om zijn eerste twee katoenen! T-shirts kletsnat aan zijn rugzak te doen bungelen… Toch maar snel een synthetisch exemplaar kopen?

Bij de (gesloten) refugio de Seglar nemen we een (droog- en eet)pauze. Een oude landrover bij de refugio lijkt al weer enige jaren niet van zijn plaats te zijn gekomen; zonde, mooi voertuig! In de verte zien we een ‘Zorro’-stuwmeer, wat op de kaart het pantà de Darnius-Boadella blijkt te zijn. Grappig (althans, dat vind ik): al die benamingen die we inmiddels voor (stuw)meertjes zijn tegengekomen in de Pyreneeën: endara (baskisch), ibon / ibones (Navarra en Aragon); in Andorra: lago, era, llac en in Catalunya: pantà, estany en estanyet (het laatste zal wel verkleinwoord zijn) en natuurlijk het ‘gewone’ Spaanse embalse. Misschien niet het aantal benamingen benaderend, dat de Inuit voor het woord sneeuw hebben (wat vaak schromelijk wordt overdreven, geloof ik), maar mij verraste deze verscheidenheid wel. En natuurlijk étang en lac, als we de grens naar Frankrijk zijn overgestoken, wat op een paar trajecten vele malen voorkomt, getuige enerzijds de vele sms-berichten die ik ontvang als er netwerk is (“welkom, u bevindt zich in Frankrijk, blablabla” en even later “welkom, u bevindt zich in Spanje, etc”; en dat wel tien keer op zo’n dag), maar anderzijds ook getuige de grensstenen die we regelmatig tegenkomen, de meesten met het nummer 501 en een subnummer.

In Maçanet verblijven we in een uitstekend lokaal hotel -La Quadra- waar de biertjes goed smaken. ’s Ochtends bij het ontbijt staat een zojuist geopende, gekoelde fles rode wijn tussen de overige ontbijt ingrediënten; die laten we maar onaangeroerd..! Het traject naar La Jonquera is ook weer voldoende geaccidenteerd om beter ‘fris’ aan de start te komen.

We lopen door oneindige bossages brem, die de omgeving in het voorjaar volledig geel moeten kleuren, maar nu is het een groene oase tussen half zwart geblakerde kurkeiken. Enige jaren geleden heeft hier een enorme brand gewoed. De eiken met hun dikke kurkbast zijn wonderwel levend uit de vuurzee gekomen, maar de kurk is zwart en onbruikbaar geworden. Óveral liggen stukken verbrande bast die van de bomen zijn gestript, zodat de bomen weer een nieuw laagje bruikbare kurk kunnen aanmaken. En nu maar hopen dat er tussentijds niet weer een brand woedt, want dat groeiproces duurt volgens mij járen.

Voor mij is er ook een ‘sweet memorie’, als ons wandelpad in La Vajol de weg kruist, die ik in 2011 op de fiets passeerde, nadat ik vanuit Ceret -in Frankrijk- via Las Illas (NB: niet van de refugio) de Pyreneeën overstak, op weg naar het zuiden van Spanje (zie tweede routekaartje hieronder). Hoewel ik me deze weg niet meer kan herinneren, weet ik nog goed hoe euforisch ik me voelde toen ik (na een geposeerde foto met de Policia op de grens..) Spanje binnenreed. Heerlijk!

Even later lopen we langs een paar zittende (liggende?) herkauwende koeien en ontwaren tussen de koeien een hert, dat verschrikt opstaat en verbouwereerd blijft staan, terwijl wij zo snel mogelijk onze cameras tevoorschijn halen. Wij staan stil, zij staat stil. Een mooi moment; wie beweegt het eerst? Zij kan de spanning niet verdragen, keert om en verdwijnt. Die hebben we mooi ‘geschoten’. Ze waande zich kennelijk veilig en niet opgemerkt, tussen de collega herkauwers…

La Jonquera, dat we na een lange dag bereiken, is een lelijke stad. Met een snelweg, een RN en een treinverbinding de ultime grensplaats met Frankrijk, inclusief ‘tabledanceclubs’. Wij zijn in ieder geval te moe voor deze (on)gein (Bas ook!) en willen vroeg naar bed, want voor vanavond en morgen is regen voorspeld. Als we morgenvroeg nog een paar droge uren mee kunnen pikken, is dat mooi meegenomen. Wij lopen hotel Nacional binnen… en het begint te regenen. Just in time! Bas weet in La Jonquera bij een Chinese winkel nog een synthetsch sportshirt te scoren, met FC Barcelona opdrukt. Kleur: roze… (Connor: “o, lôvely”).

De weerberichten kloppen deze keer wel. Tijdens de zeven weken dat ik nu onderweg ben, heeft ‘regen’ meer dan eens op het programma gestaan, om steeds weer op te schuiven naar ‘mañana’ (daar zijn de Spanjaarden goed in). Zo heb ik becijferd dat ik tot nu toe 95% zon heb mogen ontvangen, 4% bewolking en 1% regen. De statistieken moeten na vandaag echter drastisch worden herzien: 3% wolken en 2% regen… Het is niet te geloven wat een mazzel we tot nu toe hebben gehad. Volgens Connor, omdat zijn moeder in Ierland iedere avond een kaarsje voor ons aansteekt; vandaag was ‘ie zeker opgebrand…

Regenjassen en -broeken aan; regenhoes over de rugzak (kleren en slaapzak ín de rugzak in plastic zakken!) en gaan! De derde dag voor Bas begint in de mist en wolken. Even later is het iets opgeklaard en lopen we letterlijk ónder en bóven de wolken; verschillende potentiële regenlagen, die later vrolijk samenkomen en uitbundig losbarsten. Stug doorlopen is de enige remedie.

Ergens halverwege de tocht stuiten we op een vliegtuigwrak (althans het boek van Johnson maakt ons er op attent). Een surrealistisch tafereel: een redelijk intacte achterromp, met een in de wind bewegende achterflap van de staart. Na wat klimmen kunnen we ook in het kale ruim van de gecrahste DC6 kijken. In 1986 is hier een viertal Franse vliegers omgekomen; niemand die de moeite heeft genomen om de boel op te ruimen. ‘Weird’, in Ierse terminologie (uitgesproken als ‘waird’).

Wat we hier ook tegenkomen is de signatuur van ‘Marcher Arrant’, een wandelaar die met enige regelmaat langs de GR11 met stickers en tekeningen zijn aanwezigheid markeert (zoiets als ‘Kilroy was here’). Altijd hetzelfde poppetje, met in zijn meegedragen vlag steeds een andere tekst. Leuk en vreemd: op dit vliegtuigwrak niet helemaal gepast, vind ik. Maar meestal bescheiden op de achterkant van een (verkeers)bord, of pontificaal op een deur van een refugio libre. Je moet het maar eens googelen..

Als de regen in de loop van de dag ophoudt en de lucht zowaar opklaart, krijgen we voor het eerst heel duidelijk de zee in zicht. Een paar dagen eerder al wat vaag in een heiïge lucht, maar nu overduidelijk: ons doel! Ik kan me de zeevaarders voorstellen, die na maanden op het water euforisch en opgelucht ‘land-in-zicht’ riepen; ons gevoel is hetzelfde, zij het in spiegelbeeld.

Zee-in-zicht!

We slapen die nacht in een casa rural, Can Salas, een voormalig herenhuis, waar wijn en olijven werden verwerkt en verhandeld. De gepensioneerde eigenaar wijst ons op een uit één blok steen gehouwen ‘sarcofaag’, die 800 liter olie kan bevatten. Het is een waar museum; mooi! De oude baas wijst ons ook behulpvaardig de weg (door met ons mee te lopen) naar de enige kroeg/restaurant/theater/winkel, kortom: het gemeenschapshuis in het dorp, in een voormalige ‘Fraternal’, wat ik niet anders kan vertalen dan als een ‘broederhuis’? De enorme televisie die aanstaat vertoont een aflevering van Bud Spencer en Terrence Hill ( die van ‘Vier vuisten, etc..’), maar helaas Spaans nagesynchroniseerd. De vuisten klinken overigens hetzelfde..

En ja, dan komt de laatste dag in zicht! Gelukkig is het weer helemaal opgeklaard en is vandaag weer 26° en zon voorspeld. Een betere epiloog kan je je niet wensen. De laatste uitlopers van de Pyreneeën hebben nog wat kleine verrassinkjes in petto (een lang, geleidelijk stijgend pad, terwijl ik toch echt dacht tussen de wijnvelden naar de kust te lopen..), maar de finale naar Llança is beslist mooi te noemen. De kustplaats blijft lang buiten beeld, maar als ‘ie zich laat zien, is ook in volle glorie de zee-in-zicht! Azuurblauw, nauwelijks een golfje; ooh, dat wordt niet alleen slok, maar zodadelijk ook een duik!

Let op Bas’ nieuwe T-shirt..

Eerst nog even maar het station van Llança, want Bas en ik nemen aan het eind van de middag de ‘regional’ naar Barcelona (wat in NL gelijk staat met de ‘sprinter’: de boemeltrein die in elk gehucht stopt, maar dat maakt ons niets uit). Die tickets hebben we maar alvast op zak.

Zee-in-gezicht!

Bij de zee aangekomen de vanzelfsprekende foto. Maar ook de kleren gaan uit en alle drie nemen we een (koude en dus korte) duik. Het is volbracht!! Mijn rechterknie heeft meermaals gehaperd, maar zoals Bas het verwoordt: de Zeeuwse leeuw worstelt en komt boven. Zelfs Bas’ z’n knieën hebben het zwaar gehad, maar de beloning is ‘zoet’: Estrellas!

We lunchen nog met z’n drieën, maar nemen dan afscheid van Connor. Hij heeft nog een laatste etappe voor de boeg morgen. We zien elkaar vast nog een keer, in Belfast of in NL.

In Barcelona neemt broer R ons mee naar het bruisende uitgaansleven in de Catalaanse hoofdstad. Toch even wennen, al die mensen, die gebouwen, dat verkeer… Heerlijke pinchos in baskisch restaurant Golfo de Bizkaia en een afzakkertje in Mr. Robinson, zo bezien een populaire bar met trendy jong publiek. Tollend van de ‘indrukken’ beland ik in mijn bed in hotel Ciutat de Barcelona.

Het is volbracht!

De GR11? ‘Been there, done that’. Wie had dat gedacht… ik niet!

Trakteer mij op een koffie - of een koud biertje! at ko-fi.com

…of een koud biertje! 😀

Geplaatst in Reisverslagen | 9 reacties

Vergezichten

Na een heerlijke overnachting in een casita in Queralbs, halverwege etappe 37, en een slaapstop in Núria, een ietwat pompeus heiligdom aan het einde van dezelfde etappe: een enorme kerk -bijna cathedraal- en een groot hotel (’s zomers ezeltochtjes en bootje-varen op het kleine stuwmeer voor het complex; ’s winters ski-resort, met een beperkt aantal liften; wat je al niet met het geloof kan combineren…), vertrekken we richting de twee hoge cols van vandaag: de col de noufonts en de col de noucreus, beide ca. 2.780m hoogte.

Dat we eergisteren in Queralbs een tussenstop hebben gehad, heeft enerzijds te maken met de forse klim, die we anders in de middag zouden moeten doen. En anderzijds: omdat ik toch nog een dag ‘over’ heb voordat ik Bas ontmoet in Albanyà, is het een logischer keuze om een route op te knippen, dan een hele extra dag in een klein dorpje te verblijven. Ik heb geen spijt van het verblijf in één van de kleine ‘cottages’ (want daar lijken ze op) van Masia Can Constans in Queralbs, want het is er heerlijk; hier kom ik nog eens terug met M!

Gisteren dus naar het heiligdom van Núria, met een bijzondere historie en dat jaarlijks vele gelovigen trekt (o.a. jonge stellen die graag een zoon als eerstgeborene willen hebben; een bezoek aan de kapel zou hiervoor garant staan..), dat alleen te bereiken is via een voetpad door een indrukwekkende kloof (waardoor wij zijn gelopen), of met een ritje met de ‘cremallera’, een tweewagons tandrad-treintje, dat over een smal traject door de kloof loopt en regelmatig in en uit tunnels duikt. Dat bij onze boeking in het heilige hotel ook een ritje met het treintje was inbegrepen, heeft ons niet doen verleiden: als pelgrims hebben wij het complex natuurlijk te voet bereikt! De indrukwekkende kloof was het zeker waard.

Maar vandaag vertrekken we, na een kort blik in de grote kerk van Núria, dus voor een hoge etappe, met twee cols, die vandaag eindigt in Setcases, een volgend ski-resort in de Pyreneeën (eigenlijk het hoger gelegen Vallter-2000).

Ertussen een kaarsje voor MB:

Het weer is kraakhelder en vrijwel windstil. De klim vanuit Núria, dat zelf op bijna 2.000m hoogte ligt, is geleidelijk over kale bergen, die om acht uur ’s ochtends gelukkig nog in de schaduw liggen. Hoe verder we vorderen, hoe nietiger het grote complex wordt, dat overigens wel al vroeg door de zon wordt beschenen.

Vanaf de col op 2.780m hoogte met Núria-complex in de vallei in de diepte:

Als we col de Noucreus passeren, zien we de negen kruisen van negen monniken, die hier -volgens de legende- in een bittere storm zijn omgekomen. G*ds wegen en beslissingen zijn ondoorgrondelijk, ben ik geneigd te denken, want waarom zouden negen heiligen op weg naar een heiligdom gestraft moeten worden? Maar misschien is de verklaring prozaïscher en hadden ze beter op het weerbericht moeten letten…

In ieder geval hebben wij geluk, want vanaf de lange bergkam die we volgen, zijn de vergezichten spectaculair. Zowel naar het noorden als naar het zuiden kunnen we diep in respectievelijk Frankrijk en Spanje kijken. Ver ten zuiden van ‘onze’ Pyreneeën zie ik een bergketen uit de vlakte opdoemen; geen idee wat het is. Thuis maar eens googelen..

Op een van de cols verblijft een grote groep jongeren, waarschijnlijk een schoolklas, waarvan een flink aantal zojuist -op gympies en in T-shirts- een van de toppen heeft ‘beklommen’. Dat je er in feite via een pad naartoe kan wandelen, doet volgens mij niet af aan de noodzaak van goede kleding en uitrusting, maar vandaag gelukkig geen bittere stormen, want anders waren de kruizen niet aan te slepen… In ieder geval zijn hún vergezichten nog spectaculairder dan de onze.

De hele tocht voert over de kale rotsen, met steeds weer nieuwe panorama’s, die zich voor ons uit ontvouwen. Een groep gemzen staat onverstoorbaar de laatste sprietjes gras weg te kauwen. Ze zijn ver weg, maar het feit dat ze niet wegvluchten, kan betekenen dat hier niet gejaagd wordt. We zien de kale skipistes van Vallter 2000. Pas laat in de middag keren we terug naar meer beboste berghellingen.

Bij een (gesloten) refugio bivakkeert weer een andere schoolklas, met kleinere kinderen. Leuk om de jongeren zo de schoonheid van de bergen te laten ervaren, maar ik zou niet graag in de schoenen van de leraren / begeleiders staan: er zijn op de weg hiernaartoe aardig wat smalle en steile paadjes te volgen en met al die stijf met adrenaline gevulde, hormonen-gierende kinderen, zit een ongeluk in een klein hoekje.. Een dergelijk ‘vergezicht’ komt helaas ook boven drijven, waarschijnlijk ‘geïnspireerd’ door de negen kruizen op één van de cols. Afijn, laten we het op ‘vergezocht’ houden..

Wegwijzers zijn niet tegen álle weersomstandigheden bestand:

We wandelen aan het eind van de middag Setcases binnen, aan de rivier de Ter, waar ook ons hostal is gevestigd: Hostal Ter. Setcases is een mooi dorp, vrijwel volledig opgetrokken uit natuurstenen huizen. De vele accomodaties in het dorpje wijzen op veel bedrijvigheid in de winter; nu zijn de meeste gesloten. Een leuk detail zijn de ‘llevadas’ die door het dorp stromen: kleine kanaaltjes, die zigzaggend het bergwater door het dorp leiden. Overal is het geklater van het water te horen! Benieuwd of die ’s winters allemaal bevroren zijn; ik moet het K eens vragen die hier wel eens een dag gaat skiën, komende van de Costa Brava (om daar de volgende dag weer met 25° in het zwembad te duiken..).

Een dag met prachtige vergezichten. Ik hoop dat de foto’s er een redelijke impressie van geven!

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties

Gedonder in de bergen

Na de rustdag gaat het vervolg van de etappe naar Arans, maar daar aangekomen blijkt Alec zeer veel last te hebben van zijn knieblessure. Na onderling beraad neemt hij de bus naar Andorra la Vella en vandaar naar Barcelona om terug te vliegen naar huis. Een domper! Ik hoor dat pas later, want ik heb hen even alleen gelaten voor hun overleg en ben voorlopig alleen doorgegaan. Ik overnacht in een prima hotel in Ordina, maar houd telefonisch contact met Connor.

Mijn vervolg gaat naar Encamp, een op het eerste gezicht oninteressant dorp, maar het hart van plaatsje is toch wel gezellig. Ik wilde eerst doorlopen naar een onbemande refugio halverwege het volgende traject, maar na een klim van zo’n 600 m en een flink steile afdaling van ca. 700 m vind ik het eigenlijk wel welletjes. Een hostal bij een riviertje in Encamp is een uitstekend eindpunt.

Euhh, auto’s en brommers?

Euhh, Riu.. wattuh?

Laat in de middag komt Connor toch het plaatsje binnen wandelen. Ze hebben besloten dat hij doorgaat en hebben vlak voor Alec’s vertrek met de bus hun spullen uitgewisseld; Connor zal nu de tweepersoons tent en het kookstel alleen moeten dragen… En hun voorraad sardineblikjes! Voor mij natuurlijk gezellig om een wandelmaatje te hebben, maar ik kan me het lastige overleg vóór het vertrek van Alec wel voorstellen.

Met Olivier, de Fransman

Na Encamp vervolgen we de dus samen de route naar refugio de L’Illa (2.485 m), etappe 33 alweer (het wordt nu bijna aftellen!).

L’Illa is een hypermoderne hut, die twee jaar geleden is geopend. In de beschrijving van Johnson was het nog een oude, onbemande hut.

Marga uit Barcelona ‘zwaait’ er de scepter; ze is een gezellige spraakwaterval, die op-en-top Catalaanse is en niets van de spaanse ‘clans’ moet hebben, of het nu PP is of PSOE… Allemaal boeven! (NB: het is bijna een jaar geleden dat het Catalaanse referendum eindigde met de vlucht van hun leider en de rest in het ‘cárcel’ deed belanden en dat is duidelijk merkbaar op alle televisiezenders op dit moment; en overal hangen ‘yellow ribbons’… jeweetwel, van die golden oldie van Tony Orlando? ..in afwachting van de geliefde die uit de gevangenis terugkeert?).

Het is een unieke refugio, met Ikea uitstraling zou Carmen zeggen: alles blank hout, met enorme ramen die uitkijken over de omringende bergen, die goud oplichten in de ondergaande zon. Het rond gevormde dak is van verblindend aluminium. Er is zelfs wifi en Philip, de jonge franse kok (die overal en nergens heeft gewerkt en nu dus hier is beland..) zet een fantastische schotel Bolas de Picolats op tafel: gehaktballetjes met calamares in een heerlijke saus! Oei, dat is lekker..!? Onthouden! Marga en Philip zijn een uitstekend en gezellig team, zoals je niet veel ‘hüttenwirts’ ziet. Ik mag van Marga de sateliettelefoon gebruiken om de volgende hut te reserveren; het is weekend dus sommige hutten zijn volgeboekt. En refugio de la Feixa heeft maar 12 slaapplaatsen, lekker knus, dus even bellen kan geen kwaad.. Er is plaats!

Beneden een ruim bemeten kippenhok, met aparte hondenruimte!

In L’Illa ontmoeten we ook Olivier, een Fransman die we eerder al zijn tegengekomen en die loopt alsof ‘ie mank is… maar wel bijna twee keer zo snel als wij! Een vreemd gezicht, met een enórme rugzak, waar ook nog een forse slaapmat onder is gebonden. Hij blijkt ‘kasteelheer’ te zijn, althans in onze ogen: hij werkt als curator in een kasteel in Pau (maar nu dus even niet..). Er is verder een Frans stel met twee honden, die ’s avonds naast de kippen in een flink kippenhok mogen slapen, buiten de hut. Ze missen hun baasjes en zetten een tijdje een angstaanjagend gehuil in.. mensen die nu buiten lopen en de hut nog niet hebben bereikt, denken vast dat ze aanstonds worden overvallen door een roedel wolven… De oude herdershond van Marga zelf valt hen zowaar bij, met enige twijfel en een beetje schor; aandoenlijk! Vanaf nu heet de hut wat ons betreft Refugio de los Lobos! 😀

Van L’Illa/Lobos gaat het naar refugio de la Feixa en Olivier hobbelt enige tijd met ons mee, maar we houden hem uiteindelijk niet bij! We weten dat er die middag regen is voorspeld en die wil hij kennelijk voor zijn. Op een winderige col, waar Connor en ik even pauze willen houden, komen we hem weer tegen, maar hij heeft die stop net achter de rug en vervolgt zijn tocht. We kijken hem met verbazing na… dat hij in dit onregelmatige terrein, met keien en gruis, met zijn enorme rugzak overeind blijft…? Onze stop is overigens kort; de wind trekt aan en er verschijnen onheilspellende wolken, die we niet eerder zijn tegengekomen.

En ja hoor, plotseling breekt een enorm onweer los. Snel regenkleding aan en hoes over de rugzak.. Het laatste stuk naar La Feixa is over een hoogvlakte, gelukkig wel met bomen, maar het is erg open en het onweer kraakt boven onze hoofden. Connor adviseert mijn telefoon uit te zetten… zou bliksem kunnen aantrekken (?, moet ik eens googelen), maar die is eigenlijk nodig om de hut te vinden, want ook deze refugio is relatief nieuw en ligt iets buiten onze route.. Markeringen zijn in dit noodweer absoluut onzichtbaar. We zetten naast elkaar -als verzopen katten- zo snel mogelijk de pas er in. De regen komt met bàkken uit de hemel.. (‘katten en honden’, zoals de Engelsen zeggen..). Ik ben niet op mijn gemak en Connor moet er ook niets van hebben. Maar iets anders doen dan doorlopen is eigenlijk geen optie, want schuilen onder een boom is ook niet ongevaarlijk. We lopen zo minstens een uur in het noodweer en het aantal donderslagen is niet bij te houden. Óveral stroomt het water, langs de route, op de route, over de route.. Eíndelijk komt het hutje -want meer is het niet- in zicht. Voor de ingang ligt een enorme plas water; een leuke binnenkomer. Maar we zijn enorm opgelucht; gehaald!

Foto’s de volgende dag, na het onweer!

Binnen zit… Olivier, die een half uur eerder al even drijfnat is aangekomen. In de kleine gezellige hut hangen overal natte kleren. Het blijkt dat het regenwater via het rugpand van mijn rugzak in het onderste compartiment is gestroomd: m’n slaapzak en tent zijn z**knat! Handig, zo’n regenhoes. Had ik toch maar de regenponcho van J. geleend..

De hut is Spartaans, geen stromend water (jaha.. buiten wel!) en een ‘droge’ WC, overigens heel ingenieus met een soort plastic folie dat naar beneden gerold wordt -als een vorm van ‘doortrekken’. Acht bedden in de nok van het (lage) gebouwtje, die met twee trapjes zijn te bereiken; vier bedden waar we nu zitten, maar waar straks matrassen worden gelegd, die in een hoek liggen opgestapeld.

De huttenwaardin hier heet Marthe en ze runt het alleen; haar ‘deel’ is van het ‘onze’ gescheiden en we communiceren via een deuropening met een horizontaal blad, waardoor ook het eten wordt geserveerd. Vreemd, zo’n afgeschermd ‘leven’; ze zit hier in haar ‘uppie’, maar het contact blijft beperkt tot het ‘gesprek’ via de deuropening, waarachter een gordijn hangt en zij het eten klaar maakt. Een nogal eenzaam bestaan lijkt mij…

Fikse stier… aan dezelfde kant van het hek..

De volgende morgen hangt het dal vol met dikke wolken, de overblijfselen van het noodweer gisteren. Een mooi gezicht, vanaf ons hoge plateau. We lopen nu met ons drieën, inclusief Olivier, naar Puigcerdà, het eindpunt van etappe 35. Onderweg, in een piepklein dorpje, Guils de Cerdànya, waar voorbereidingen in volle gang zijn voor de herdenking van het afscheidingsreferendum van vorig jaar (overal spandoeken, Catalaanse vlaggen, hekken vol met gele lintjes), blijkt de eigenaar van de enige bar met vakantie te zijn (minder fel Catalaan misschien?). Dan maar weer de bekende vraag aan een vrouw in protest T-shirt; ja, ze wil best wel koffie voor ons maken. Olivier bedankt, hij gaat verder naar Bourg-Madame, de zusterstad van Puigcerdà, net aan de andere kant van de grens. Hij hobbelt verder over de GR10, terug naar ‘zijn’ kasteel in Pau. In sneltrein vaart verdwijnt hij het dorp uit. Wij zitten lekker op een bankje op het plein waar alle bedrijvigheid zich afspeelt. Connor vindt de Catalaanse kwestie maar niets; met alles wat de Noord-Ieren hebben meegemaakt, kan ik me dat levendig voorstellen..

In geel T-shirt onze koffieheldin

“Tie a yellow ribbon round the old oak tree..”

Het geld voor de koffie wil de vrouw niet aannemen, maar als ik zeg dat het voor de ‘fiestas’ is, accepteert zij het wel. Wij gaan ook verder; op naar Puigcerdà, een flinke stad op een heuvel, met liftsystemen en tandradbaantjes zoals in Lissabon! Toch wel handig, want na al het klimmen en dalen in de bergen zijn de vele trappen in de stad niet heel aanlokkelijk.

En wie komen we daar tegen, zittend op een bankje? Nee, niet mr. T, maar de Duitse jongen van de verloren (en gevonden) sok! Al vele dagen heb ik het groepje niet gezien en hier zit de enige overgeblevene van het trio. De beide meisjes zijn al naar huis, vanwege werk/einde vakantie, maar de jongen haakt nu ook af… wegens maagproblemen en een knieblessure (ook al, of is het wellicht heimwee naar zijn beide metgezellen?).

Gedonder in de bergen dus…

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties

“Hotel(s) on top of the world”

Het schiet behoorlijk op nu. We -dat is nog steeds Alec, Connor en ik- zijn de 500 km ruim gepasseerd en zijn bezig met etappe 29, die we verlengen tot een stuk van etappe 30 om een refugio libre te bereiken op 2.517 m hoogte. Een ‘hotel on top of the world’. Dat dit hotel niet veel meer is dan een sardineblik, met negen slaapplaatsen doet er niet toe: de ligging is fenomenaal mooi, met 360° uitzicht over verschillende bekende Pyreneeën toppen. De route er naartoe is lang, maar we hebben een lekkere lunchstop in de bemande refugio de Vallferrera (1.920 m), wat na negen kilometer (ca. vier uur) eigenlijk het eindpunt is van etappe 29.

Maar we hebben voldoende energie en lopen door naar de onbemande hut. De klim is behoorlijk en van ver zien we een wit puntje op een rots liggen: dat moet de refugio de Baiau zijn. We passeren diverse estanys, de één helder blauw, maar een enkele is vies groen. Bij een van de schone meertjes komen we een goedlachse Koreaan tegen, die met blote voeten op een steen zit. Zijn voet heeft een flinke bult en ondanks zijn lachende gezicht lijkt hij pijn te hebben. Een val en verstuikte enkel… en geen spullen om verlichting te geven. Gelukkig kunnen we hem iets aanbieden: mijn tijgerbalsem en Alec’s Ibuprofen-gel worden gretig in ontvangst genomen en terplekke op zijn voet gesmeerd! Een gezamelijke foto als aandenken (helaas dus op kapotte schijf..) en verder gaat het weer: hij in de richting van waar wij kwamen; wij naar ons sardineblik.

Met Alec Boyd

Van ver zien we de witte cabine, maar iets zwarts doet vermoeden dat de deur openstaat. We zijn dus niet de enigen… Na het oversteken van nog wat stroompjes en enkele klimmetjes, kunnen we ‘hola’ roepen, om te zien of er iemand binnen is. Trappetje op naar de cabana en zowaar… binnen ligt mr. T languit op een van de negen (stapel)bedden. Tamboerijn bij zijn kussen. Op de tafel een zak met paddestoelen.. hij voelt zich niet zo goed. Of het door de paddestoelen komt, of door het drinken van ongefilterd water, is niet helemaal duidelijk. Hij laat ons wel voltrots de forse fungi zien; we moeten er ook aan voelen. Of we sigaretten hebben…?

Connor O’Harra & Alec Boyd (mr. T ligt linksachter) 🙂

Terwijl mr. T een dutje ligt te doen met zijn pet over zijn gezicht, maken Alec en Connor het eten klaar; macaroni met een blik tomatensaus, dat ik heb meegesjouwd om mijn bijdrage te leveren (samen met blikjes bier en pinda’s). Met wat sardines erbij -we slapen in het blik nietwaar- hebben we een uitstekende maaltijd. Mr. T kijkt van onder zijn pet af en toe naar dit ‘grande bouffe’ tafereel, maar als ik vraag of hij iets wil meeëten wijst hij op z’n buik en bedankt. Gelukkig maar, want zo ‘grande’ is onze ‘bouffe’ niet…

Met koffie buiten in de ondergaande zon eindigen we de dag en het is rond acht uur als we naar binnen gaan, omdat het behoorlijk koud wordt als de zon is verdwenen en de wind opsteekt.

Het moet rond negen uur zijn -wij liggen allemaal op de britsen in onze slaapzakken, komt een vierde persoon binnen, die een flinke tocht achter de rug moet hebben: het is donker en guur en de wind giert om ons sardineblik. De Fransman, want dat blijkt het te zijn, kookt in het donker, met hoofdlamp aan, zijn avondmaaltijd, maar veel maak ik niet meer mee; ik val in een onrustige slaap, met de vreemdste dromen…

De volgende dag, als de Fransman als eerste is vertrokken en mr. T even later, lopen we naar Arinsal, in Andorra, een leuk skidorp, waar in de winter veel Engelsen en Ieren komen. M,J&D hebben een verrassing voor mij in petto: ze hebben twee nachten in een wellness & spa resort geboekt, omdat ik de volgende dag jarig ben! Als we gedrieën langs het luxe hotel lopen, merken de Ieren op dat ze hun tent op wel op het stukje kunstgras voor de ingang van het hotel zullen zetten…! Zij belanden in een hotel iets verderop, waar ze de enige gasten zijn. De eigenaar spreekt uitstekend Engels/Gaelic.. dus die voelen zich prima thuis daar!

Bij de ‘treat’ voor mijn verjaardag hoort ook een massage (geen foto!), wat mijn benen zeer kunnen waarderen. Monica legt me ondertussen uit hoe het werkt in Andorra: een co-vorstendom (principat) tussen het bisdom van Urgell en de Franse overheid; de officiële taal is Catalaans. Hoewel de munteenheid de Euro is, zijn ze geen lid van de EU. Allemaal heel interessant, maar ik kan tijdens de massage nauwelijks mijn ogen open houden; optimale ontspanning dus…!

Bij de laatste afdaling vanuit refugio de Baiau viel het me op dat Alec wat moeizamer loopt en niet meer vlak achter Connor wandelt. Hij blijkt last te hebben van zijn knie. Ze blijven daarom net als ik ook een extra dag in Arinsal. Wel zo gezellig. We drinken bier in een Iers café en eten in een Engels restaurant… ‘Home sweet home’ voor de N-Ieren!

Geplaatst in Reisverslagen | Een reactie plaatsen

Walking with the Irish, Aye!

Het weerzien met Alec en Connor is zeer hartelijk, bijna vertrouwd, alsof we elkaar al jaren kennen. Zij zijn die middag al eerder in Tavascan aangekomen en logeren in hetzelfde hotel (ook de Ieren houden kennelijk van korting.. 😉 ).

Onderweg naar Tavascan kwamen zij Richard tegen, een Engelsman die hen waarschuwde voor een ‘weird man, with a tambourine’. Wow, zijn schaduw is hen al gepasseerd voordat ‘ie in beeld is… Alec en Conner hebben gisteren gekampeerd bij het verlaten dorp, met de vervallen huizen, waar ik vandaag ben langs gelopen en ik mr. T -zoals ik hem maar kortweg noem- tegenkwam. Maar ja, wie is er nou ‘weirder’, een Hollander met pet, baard en wilde haren en een vlaggetje op zijn rugzak, of een Portugees (want dat blijkt mr. T waarschijnlijk te zijn) met pet, baard en wilde haren en een tamboerijn in de hand; of een paar Ieren die met plezier bij een verlaten en vervallen dorp kamperen. Alles is relatief in de bergen…

Na een gezellig diner (met korting) besluiten we de volgende dag gedrieën verder te gaan naar Àreu, een zeer pittige tocht met die dag 1.800 m stijging en 1.600 m daling! Johnson trekt er in zijn gids ruim zes uur voor uit; wij rekenen voor dit traject van slechts 16 kilometer veiligheidshalve acht uur! Gelukkig is een groot deel van de klim in de ochtend aan de schaduwkant van de berg, tussen de bomen.

Wederom passeren we een vrijwel verlaten gehucht, Boldis Sobirà, met overigens nog in goede staat verkerende huizen. Bij een waterfonteintje rusten we even uit en -ik heb inmiddels de smaak te pakken (letterlijk en figuurlijk)- ga op koffie strooptocht uit. Ik loop wat verder een straatje in en sta vervolgens in dubio.. want iets verderop hoor ik geluiden uit een huis komen, maar wie zit er vlakbij dat huis op een muurtje… mr. T! Ach, wat maakt het uit ; ik groet de muzikant (die ik weliswaar nog geen toon heb horen rammelen), waarop hij een wat onsamenhangend verhaal afsteekt, dat hij uit Lissabon komt en wel vier rustdagen kan gebruiken… en of ik sigaretten heb (met nog een peukje in de mond). Nee, ik rook niet..

Ik klop vervolgens op de deur van het huis dat ik in het vizier heb en een dame kijkt wat argwanend naar mij en mr. T achter mij (wie is de ‘weirdest’..). Of ik ergens koffie kan kopen? (Nee). Of zij wellicht bereid is om drie koffie te maken (Drie?). Ja, voor mij en mijn medewandelaars die iets verderop zitten.. (Niet die meneer?). Euh, nee, die zit op het muurtje, ennuh.. Ik laat het er verder maar bij en loop terug om Alec en Connor te halen. We drinken een heerlijke kop koffie, buiten, met achter ons op het muurtje mr. T, die wat in zichzelf gekeerd lijkt. Een apart schouwspel, als ik het zelf van een afstandje zou bekijken. We bedanken de vriendelijke dame (die er het hare van zal denken..) en hopen dat ook zíj onder de suikerpot kijkt. Wij vervolgen onze tocht, als mr. T nog op het muurtje zijn (volgende?) sigaret zit te roken… met tamboerijn in de hand..

De tocht die soepel begon in de schaduw, in het bos, is inmiddels pittig vanwege de temperatuur en het stijgingspercentage. De Coll de Tudela (2.243 m) geeft zich niet zomaar gewonnen; op de kam zetten we puffend onze rugzakken neer om wat te lunchen. Kleding drijfnat; het briesje op de col is guur, dus snel wat aantrekken.

Op de col staat een auto; waar die vandaan komt, mag Joost weten, want we zien geen weg. Maar even later komt van de zijkant een andere aanrijden, wat bij mij de associatie oproept van een commercial op de Nederlandse televisie van een bergbeklimmer, die -door weer-en-wind- de top van een moeilijke berg bereikt, helemaal uitgeput, om vervolgens op de schouders te worden getikt door een Aziaat, die hem vraagt een foto van hem en zijn -welgeklede- gezin te nemen (RS weet jij nog welke reclame, ik niet; dat gebeurt me vaak met reclames… leuk! maar welk merk of product het was..?). De mensen die hier uit de auto stappen dragen een mandje.. Gesnapt.. paddenstoelenplukkers!

De afdaling vanaf de col gaat voorspoedig, vnl. door dennenbos waar de zon af en toe doorheen prikt. We zijn onderweg naat Àreu, waar een camping is, met cabanas. Het heeft een (onverwarmd) zwembad dat er aanlokkelijk uitziet. Het restaurant van de camping is voor het seizoen gesloten. De ‘mobile home’ is prima (voor een nacht); ik krijg de ‘kamer’ met tweepersoonsbed; Alec en Conner de kinderkamer met twee losse bedden. Alec, ‘six foot five (at least), steekt met zijn voeten ruim uit het bed.

Ik ga even een duik nemen, maar verder dan drie baantjes, snakkend naar adem, kom ik niet: het water is glaciaal koud! (ik ben niet zo stoer als P, die een bergmeertje aandurfde..). Maar de warme douche in de cabana doet wonderen.

Het blijkt een gehucht te zijn waar flink wat mensen op de been zijn. Misschien omdat het weekend is; veel mensen lijken elkaar echter te kennen. We lopen naar het enige restaurant(/hotel) in het gehucht, maar de deur naar de eetruimte blijft potdicht tot 20:30; ook geen drankje vooraf aan tafel. Buiten is het inmiddels fris geworden, dus we popelen om naar binnen te gaan. De ‘matrone’ is echter onverbiddelijk; deur blijft dicht.

O ja, wie hier natuurlijk ook rondloopt.. Mr. T! We groeten hem, maar hij houdt zelf afstand, wat we respecteren (en eigenlijk wel prima vinden). Het eten is uiteindelijk heerlijk en we lopen niet laat terug naar de camping. Maar laat genoeg om Mars boven de bergen te zien glinsteren. Prachtig!

Morgen naar Refugio de Baiau, een sardineblik’hotel’ op 2.500+ m hoogte.. Daar moeten we goed voor uitgerust zijn! Aye..

Geplaatst in Reisverslagen | 2 reacties